Dubbele belasting: non bis in idem!

Ik las recent een uitstekend stuk van Daan Killemaes over de meerwaardebelasting. Het legt duidelijk uit waarom Marc Coecke geen meerwaardebelasting moet betalen. Wat mij wel opviel is het volgende:

“Bovendien zijn er goede economische en fiscale redenen om de meerwaarde hier niet te belasten. Zo is er het principe ‘non bis in idem’, dat stelt iets geen twee keer mag worden belast.”

Ik heb dit altijd een vreemd principe gevonden, omdat het aantal keer dat je een bedrag belast eigenlijk niet zo relevant is. Ik kom dit argument vaak tegen in verschillende discussies over belastingen: “men mag niet dubbel belasten!”. Ik wil dat hier tegenspreken. Wat vooral relevant is hoe efficiënt en effectief je belastingen heft. En dan kan het wel eens zijn dat je dubbel moet belasten, maar dat wil niet noodzakelijk zeggen dat je méér moet belasten. Laten we drie eenvoudige situaties bekijken om te duiden wat ik bedoel.

Situatie 1 – 30% personenbelasting en 21% BTW

Stel, mijn brutoloon is 3.000 euro per maand. Hierop moet ik 30% belastingen betalen, dus 900 euro. Mijn nettoloon is dan 2.100 euro en ik kan dus 2.100 euro bruto (incl. BTW) consumeren. In netto termen (excl. BTW) kan ik 1.736 euro consumeren en zal ik 364 euro (21%) BTW betalen. In totaal betaal ik 1.264 euro belastingen, of 42.15% op mijn brutoloon.

Situatie 2 – 42.15% personenbelasting en 0% BTW

Stel, mijn brutoloon is 3.000 euro per maand. Hierop moet ik 42.15% belastingen betalen, dus 1.264 euro. Mijn nettoloon is dan 1.736 euro en ik kan dus 1.736 euro bruto (incl. BTW) consumeren. In netto termen (excl. BTW) kan ik 1.736 euro consumeren en zal ik 0 euro (0%) BTW betalen. In totaal betaal ik 1.264 euro belastingen, of 42.15% op mijn brutoloon.

Situatie 3 – 0% personenbelasting en 42.15% BTW

Stel, mijn brutoloon is 3.000 euro per maand. Hierop moet ik 0% belastingen betalen, dus 0 euro. Mijn nettoloon is dan 3.000 euro en ik kan dus 3.000 euro bruto (incl. BTW) consumeren. In netto termen (excl. BTW) kan ik 1.736 euro consumeren en zal ik 1.264 euro (42.15%) BTW betalen. In totaal betaal ik 1.264 euro belastingen, of 42.15% op mijn brutoloon.

Conclusie

In alle drie de situaties kan ik excl. BTW exact evenveel consumeren. Ik mis dus niks. De totale belastingen die ik betaal zijn ook overal gelijk. Ik mis opnieuw dus niks en de overheid ook niet. Maar waar ligt het verschil dan? Het verschil ligt op het tijdstip en de manier van belasten. En het is niet moeilijk om jezelf in te beelden dat die tijdstippen en die manieren een invloed kunnen hebben op de efficiëntie en effectiviteit van het heffen van belastingen.

Je zou in situatie 1 kunnen spreken van een “dubbele belasting” die dus te verwerpen valt volgens het “non bis in idem” principe, maar als je situatie 2 en 3 gezien hebt, is er geen sprake van dubbele belasting. Je betaalt daar echter gewoon even veel. Je bent even goed af, alle andere zaken constant houdende. Het is dus niet de dubbele belasting die je als argument moet gebruiken, maar het argument dat de totale belasting te hoog of te laag zou zijn, of dat de manier waarop deze belasting geïnd wordt niet efficiënt is. Hetzelfde heb je bijvoorbeeld bij bedrijven. Men zegt wel eens dat men de winst dubbel belast: een keer met de vennootschapsbelasting om tot de nettowinst te komen en nog een keer met de roerende voorheffing wanneer de nettowinst als dividend uitgekeerd wordt. Dat is ook een dubbele belasting, maar men zou even goed de vennootschapsbelasting kunnen afschaffen en de roerende voorheffing kunnen verhogen, om aan hetzelfde bedrag aan belastingen te komen. Maar dan zullen er bedrijven zijn die geen dividenden uitkeren en alle winst aan het kapitaal toevoegen (waar absoluut niets mis mee is), zodat er vele jaren geen belasting betaald moet worden. Die bedrijven zullen pas op het einde een belasting betalen op hun winst, wanneer ze hun winst gaan omzetten naar cash aan private individuen, zoals bijvoorbeeld de aandeelhouders. Is dat de meest efficiënte oplossing? Zou het efficiënter zijn om ieder jaar een soort van voorschot te nemen? Zou dat de belastingsinkomsten van de overheid stabieler kunnen maken? Dat weet ik natuurlijk niet, want ik doe er geen onderzoek naar. Maar het toont alvast aan dat er in principe weinig mis is met dubbel belasten. Ik word liever 10 keer belast aan 3% dan 1 keer aan 30%. In het eerste geval hou ik immers meer over, desondanks dat ik 9 keer meer werd belast dan in het tweede geval.

Laat het a.u.b. dus verleden tijd zijn dat mensen argumenteren dat er geen vermogenswinstbelasting mag komen omdat die vermogens al eens belast werden bij de verwerving ervan. Zoek naar betere argumenten. Want dergelijk argument zou ik ook kunnen inroepen wanneer ik geen BTW wil betalen omdat op mijn inkomen al belastingen zijn betaald. Vrij absurd. Het gaat niet over hoeveel je belast, het gaat over de manier waarop je belast. Optimal taxation, naar het schijnt zijn er in Leuven enkele uitstekende onderzoekers die daar mee bezig zijn.

 

Advertenties

Betalen onze kinderen onze overheidsschuld af?

Een argument dat vaak wordt gebruikt door mensen die tegen een hogere overheidsschuld zijn, is het feit dat onze kinderen die schuld zullen moeten afbetalen. Dat klinkt logisch, omdat het in onze dagelijkse context zo is. Onze kinderen erven later onze schulden. Doorgaans hebben we meer bezittingen, maar iedere euro schuld die we aangaan vermindert hun erfenis. Je moet oppassen wanneer je een overheid met een gezin vergelijkt, om meerdere redenen. Een overheid kan bijvoorbeeld niet sterven zoals een gezinshoofd dat kan. Of het feit dat acties binnen een gezin enkel effecten hebben binnen het gezin, terwijl acties van de overheid allerlei macro-economische reacties kunnen veroorzaken.

De gezinslogica kan je dus niet zomaar doortrekken naar de overheid. Een overheid kan in normale omstandigheden altijd een nieuwe lening aangaan en daarmee een lening afbetalen die gaat vervallen. Stel, even voor de lol, dat rentevoeten nooit veranderen, dat de overheid altijd een goede rating (bijv. AA) zal hebben en makkelijk aan financiering kan geraken. Ze kan dan in principe vandaag een lening aangaan die nooit terugbetaald zal moeten worden. Stel ze leent 1 miljard op 20 jaar aan 3%. Ze betaalt 20 jaar lang 30 miljoen euro rente, leent dan opnieuw 1 miljard aan 3% en betaalt opnieuw 20 jaar lang 30 miljoen euro rente. Geen enkele generatie moet schulden terugbetalen. Iedereen betaalt slechts rente, ook onze kinderen en hun kinderen, enzovoorts. Het argument dat onze kinderen onze schulden zullen terugbetalen is dus niet helemaal juist. Volgens mij wil men met dergelijke argumenten vooral op onze emoties spelen. Al een geluk dat ik geen emoties heb ;-).

Onmiddellijk worden er wel heel wat andere problemen duidelijk, die ik dan ook liever als argument zou willen zien in debatten.

  1. Genot. Wie geniet van de 1 miljard euro? Stel dat die 1 miljard euro die de overheid leent gebruikt wordt tijdens de eerste 20 jaar (bijv. overheidsconsumptie of -investeringen) en dat ze daarna geen effecten meer heeft. Dan wil dat zeggen dat iedere generatie na die 20 jaar ook rente zal moeten betalen voor een schuld waar ze nooit de vruchten van hebben kunnen plukken. Het kan echter ook zijn dat men vandaag investeringen doet die een zeer lange tijd zullen meegaan (bijv. ondergrondse leidingen), zodat ook nog onze kinderen ervan zullen genieten. Belangrijk dus dergelijke zaken in de gaten te houden.
  2. Renterisico. In het voorbeeld hierboven konden rentevoeten niet veranderen, maar in de realiteit kan dat natuurlijk wel. Stel dat na 20 jaar, wanneer de overheid die lening moet terugbetalen, de rentevoeten gestegen zijn tot 6%. Als de overheid nu een nieuwe lening aangaat, betaalt ze dubbel zoveel rente. De samenleving moet die extra last kunnen dragen. Dit is renterisico. Rentevoeten zijn bovendien “mean-reverting”, hetgeen wil zeggen dat ze altijd rond een lange-termijn gemiddelde fluctueren. Staan ze boven het gemiddelde, dan gaan ze wellicht naar onder. Staan ze onder het gemiddelde, dan gaan ze wellicht naar boven. Dat kan snel gaan of dat kan lang duren. In ieder geval, je zou dus met minstens een beetje betrouwbaarheid kunnen zeggen dat de rentevoeten momenteel onder dat lange-termijn gemiddelde zitten en dat je moet opletten voor hogere rentevoeten later. Als je nu de schuld verhoogt, maar je kan in de toekomst geen renteverhoging verdragen, dan moet je er zeker voor zorgen dat de schuld in de toekomst afbetaald kan worden. M.a.w. dat je ze dan niet moet herfinancieren.
  3. Kredietwaardigheid. In het voorbeeld hierboven kreeg de overheid zonder problemen een nieuwe lening. Dat is ook niet altijd het geval. Wat als de kredietwaardigheid van onze overheid zo slecht is geworden dat ze niet langer een lening krijgt? Ook dan bestaat er een probleem dat de economie zwaar zal treffen. Ze zal ofwel fors de belastingen moeten verhogen of eenmalige ingrepen moeten doen om de lening te kunnen afbetalen. Nog erger is een faillissement, of “default”, waarbij de overheid gewoon niet langer haar schulden afbetaalt. Ook dit zal enorme schade veroorzaken.
  4. Afbetalen. Als je wel wat marge hebt qua draagkracht op vlak van rentelasten, dan zou je in principe de schuldgraad een hele tijd constant kunnen houden of misschien zelfs kunnen verhogen. Is dat echter niet het geval, dan doe je er goed aan de schuldgraad af te bouwen, om zo je blootstelling aan renterisico te verminderen. Als je je schuldgraad afbouwt, moet er uiteraard wel cash betaald worden. Leningen worden afbetaald zonder dat nieuwe leningen worden aangegaan. In dit geval kunnen het dus wél de kinderen zijn die de schulden van de ouders terugbetalen. In het slechtste geval kan de overheid vandaag 1 miljard lenen, die gratis uitdelen aan haar burgers, en binnen 20 jaar de generatie van die tijd de lening laten terugbetalen met hogere belastingen of andere inkomsten. Het kan dus wel, maar het is zeker niet zo eenvoudig.

Ik zou dus iedereen die tégen het verhogen van de overheidsschuld is willen aanmanen om gebruik te maken van een beter argument als “onze kinderen moeten het afbetalen!”. Dat is een vrij emotioneel argument en het houdt niet eens altijd steek. Hierboven heb ik al enkele argumenten, maar er zijn er vast nog meerdere te bedenken. Maar laat die kinderen nu maar even gerust.

Meerwaardebelasting op aandelen: een bescheiden poging.

In dit artikel ga ik proberen een beetje na te denken over de belasting op meerwaarde van aandelen. Je moet dit artikel bekijken los van alle andere belastingen. In België zijn bepaalde belastingen inderdaad veel te hoog, maar laat dat hier buiten beschouwing. Ik wil puur focussen op de wenselijkheid van een meerwaardebelasting voor aandelen. Welke andere belastingen moeten of kunnen sneuvelen, dat is een andere discussie.

Voor wie niet weet wat het is: in principe kan je als aandeelhouder op twee manieren winst maken. Onderliggend is er altijd een bedrijf dat winst of verlies maakt. Is er verlies, dan krijgen de aandeelhouders niets, meer zelfs, hun aandelen worden minder waard. Is er winst, dan kan het bedrijf dat ofwel bijhouden, ofwel uitkeren. Als men het bijhoudt, dan zullen de aandelen meer waard worden (de zogenaamde “meerwaarde” dus). Als men het uitkeert, dan zullen de aandeelhouders dividenden ontvangen. In België betaal je momenteel 25% roerende voorheffing op dividenden, maar 0% op meerwaarde. Als belegger ben je, everything else constant, dus beter af door te beleggen in bedrijven die geen dividenden uitkeren. Je maakt dan identieke winsten, maar moet er geen belasting op betalen.

Uiteraard moet je niet per se in aandelen beleggen. Je kan ook gewoon kasbons kopen, of iets gelijkaardigs met weinig risico. Op de coupon of rente die je daarop ontvangt, zal je in België ook 25% belasting moeten betalen (er is wel, hoe kan het ook anders in België, een uitzondering voor de eerste 1900 euro op spaarboekjes in 2014). Hier valt mij dus meteen een soort van ongelijkheid op. Stel je hebt twee mensen, eentje belegt in kasbons en de andere in aandelen, beide 1 miljoen euro (we houden het simpel hier…). Degene die in kasbons belegt krijgt een rentevoet van 1% en moet op zijn 10.000 euro winst 2.500 euro belasting betalen. Degene die in aandelen belegt, tja, daar zal het afhankelijk zijn van wat het bedrijf beslist. Laten we veronderstellen dat het bedrijf geen dividenden uitkeert. Dan zal het aandeel in waarde stijgen, bijvoorbeeld een stijging van 6%. De belegger maakt 60.000 euro winst en moet daarop geen belasting betalen. Uiteraard heeft hij nog altijd geen cash in handen. Maar als hij bijv. in Apple aandelen had belegd, kan hij er een paar verkopen en de 60.000 euro cash opstrijken. Zonder belastingen te betalen, want meerwaarde wordt niet belast. Dit vind ik onrechtvaardig.

Risico

Maar hola Kurt!“, hoor ik ze van ver al roepen: “…aandelen hebben véél meer risico dan zo’n domme kasbon! Aandeelhouders moeten gecompenseerd worden voor dat risico!“. En ik zal hard terugroepen: “ge hebt gelijk, kameraad!“. Bij aandelen weet je nooit of je verlies of winst zal maken, dat is dus risico. En voor dat risico wordt je dan ook zeker en vast gecompenseerd. Hier aan de Universiteit Antwerpen hebben we een unieke database met Belgische aandelen die teruggaat tot 1838 (!!!). Heel wat data dus, waaruit blijkt dat aandelen het praktisch altijd beter doen dan risicovrije beleggingen, zeker op lange termijn. Wie in 1938 één frank zou beleggen in aandelen zou in 2010 al 218 frank hebben. Had je 1 frank in een risicovrije belegging gestoken, dan had je uiteindelijk 3 frank. Dat zegt genoeg, maar die tijdspanne heeft natuurlijk geen enkele belegger ter beschikking. Maar zelfs als je rollende periodes van 10 jaar bekijkt, dan doen aandelen het vaak beter, niet altijd, maar praktisch altijd. En dat is eigenlijk overal ter wereld het geval. Dat toont goed aan dat er risico is, maar dat het ook gecompenseerd wordt, gemiddeld. Dat hoeft niet te verbazen, als beleggingen onaantrekkelijk (lees: te duur) zijn, daalt hun prijs (lees: stijgt hun verwacht rendement) totdat er weer kopers gevonden worden.

Dat is dus mijn argument: aandeelhouders worden vóór belastingen al beloond met een hoger verwacht rendement! Dat is de beloning voor het risico dat ze nemen:

  • Vóór belastingen: extra verwacht rendement voor de belegger
  • Tijdens belastingen: iedereen betaalt een gelijk percentage
  • Na belastingen: extra verwacht rendement voor de belegger

En ik zie dan ook geen enkele reden om hen daarbovenop nog eens een belastingsbeloning te geven, of toch in ieder geval geen beloning van 100% minder belastingen. Een fiscale aanmoediging kan wat mij betreft wel als men een positieve link kan aantonen tussen het maatschappelijk belang en het gewicht dat aandelen krijgen in de geaggregeerde portefeuille van alle mensen in die maatschappij (positieve externaliteiten dus…). Voor zover ik weet is zo’n link op dit moment vrij dubieus.

Verliezen

Een ander argument wat ik vaak hoor: “een aandeelhouder kan verliezen maken!”. Moet de fiscus dan geld terugstorten opeens? Of: “winsten zijn volatiel!”. Ik zie hier allemaal geen probleem in, mits een zeer belangrijke voorwaarde: verliezen moeten overdraagbaar zijn! Net zoals bij vennootschappen, die ook soms verlies maken en ook volatiele resultaten kunnen hebben. Als ik in 2014 een miljoen euro verlies maak, dan betaal ik uiteraard geen belastingen. Maar als ik in 2015 vervolgens 2 miljoen euro winst maak, dan betaal ik slechts belastingen op 1 miljoen euro winst. M.a.w. ik heb het verlies van vorig jaar overgedragen naar de volgende periode, hoe je die periodes ook wil opdelen. Zonder die voorwaarde zal ik altijd een resolute tegenstander zijn van de meerwaardebelasting. Stel je bent een starter en je vennootschap mislukt. Je hebt alleen verliezen en dan stopt het. Moet de fiscus je dan letterlijk geld terugbetalen? Ook hier zie ik niet meteen een probleem. Winsten op aandelen komen uiteindelijk wel ergens in de personenbelasting terecht. Ik zie geen graten als we iemand die geprobeerd heeft om te ondernemen vrijstellen van belastingen, al duurt dat 50 jaar, zolang hij of zij de verliezen uit het verleden niet te boven is gekomen.

Rendement berekenen

Nog een argument dat vaak de kop opsteekt: “hoe moet je dan rendement berekenen?”. Je zit altijd met problemen qua aankooptijdstip, verkooptijdstip, allocaties die wijzigen, enzovoorts. Ik kan hierover kort zijn denk ik. Als een aandelenfonds, of zelfs een hefboomfonds, haar return kan berekenen zodat jij in je Online Banking module een rendement kunt zien, dan moet het vast mogelijk zijn dat jij ook van jouw portefeuille het rendement berekent. Meer moet daar echt niet over gezegd worden, het is louter een technisch kwestie, niet eens zo’n grote, en kan wat mij betreft nooit als tegenargument voor meerwaardebelasting dienen.

Moment van belasten

Het moment van belasten is ook belangrijk. Als mijn aandelen Belgacom stijgen in waarde kan men in principe al belasten, maar dat is niet zo eenvoudig.

Voor niet-beursgenoteerde aandelen (bijv. van de eigenaar van een KMO) is het praktisch onmogelijk de aandelen te waarderen, want er is geen marktprijs, dus daar kan je bijna niet anders dan belasten bij verkoop. Zolang de meerwaarde maar belast wordt, want het is onlogisch om uitkeringen tijdens het leven van de vennootschap (dividenden dus) aan 25% te belasten en uitkeringen na het leven van de vennootschap (meerwaarde dus) te belasten aan 0%. Momenteel hebben we de liquidatiebonus van 25%. Dat is min of meer hetzelfde (ben niet 100% zeker, ben geen boekhouder) als een belasting op meerwaarde en dubbel belasten kan uiteraard niet. Het is dus ofwel meerwaardebelasting, ofwel een liquidatiebonus. Nooit samen.

Voor beursgenoteerde aandelen is het veel makkelijker om de winst te berekenen op eender welk moment. Maar ook hier is belasten bij verkoop wellicht het interessantste. Stel ik maak in jaar 1 50.000 euro winst en in jaar 2 50.000 euro verlies, waarna ik er de brui aan geef. Mijn uiteindelijk bruto rendement is 0 euro, maar door de belastingen (bijv. 12.500 euro) heb ik verlies gemaakt. Uiteraard zou ik het verlies van 50.000 euro kunnen overdragen naar jaar 3 als ik er niet de brui aan zou geven. Als ik dan opnieuw 50.000 euro winst zou maken, zou ik geen belastingen moeten betalen, omdat het verlies van 50.000 euro dat overgedragen werd uit het vorige jaar mijn winst eigenlijk op 0 zet. Maar het is dus wel vrij onhandig als ik na jaar 2 wil stoppen, want dan betaal ik belastingen zonder dat ik winst heb gemaakt. Hier zou het ook beter zijn om de belasting te heffen bij verkoop van de aandelen. Ik zou ze immers aan dezelfde prijs verkopen waaraan ik ze gekocht heb, nul euro winst maken, en dus geen belastingen betalen. Dat lijkt eerlijker, ook als ik vroeger wil stoppen.

Het moment van belasten is dus belangrijk, maar het is geen argument tegen de meerwaardebelasting wat mij betreft.

Ondernemerschap

Een ander goed argument is: meerwaarde gaat ondernemerschap aantasten, o.a. omwille van de reden hierboven aangehaald. Dat zou kunnen, dat zou ook niet kunnen. Er is weinig empirisch onderzoek, ik kan het niet echt vinden. Volgens Gert Peersman bestaat er wel onderzoek naar bedrijfsbelasting in het algemeen en zijn de resultaten vrij uiteenlopend.

Trouwens, in vele landen hebben ze al zo’n meerwaarde belasting. Kijk naar de US, toch wel een baken wat betreft ondernemerschap (misschien niet meer wat het ooit was, maar toch…), daar heeft men de capital gains tax. Of dat nu per se schadelijk is voor de economie, ik weet het niet. Wat denk jij?

Zo, dit was alvast een korte poging om mijn visie te geven om de meerwaardebelasting op aandelen. Uiteraard ben ik bijzonder geïnteresseerd in de argumenten van degenen die een andere visie hebben of die vinden dat ik iets vergeten ben. Ze mogen altijd reageren op deze post.

Leefloon: huis verkopen of niet?

Laat mij eens heel rap een ballonnetje oplaten. Ik krijg de indruk dat veel mensen het absurd vinden dat mensen hun huis zouden moeten verkopen om een leefloon te krijgen. Ikzelf voel me ook niet comfortabel bij het idee, maar anderzijds voel ik me verplicht om er ook wel eens een beetje over na te denken.

Stel je staat vandaag voor de keuze. Of je koopt een huis en betaalt dat af, of je gaat huren. Economen weten dat gemiddeld genomen de huurder en de koper achteraf even vermogend zullen zijn. Dat is bijzonder contra-intuïtief want praktisch iedereen zal zeggen: “huren, dat is weggegooid geld!”. Niet dus. Uiteindelijk zijn ze even rijk. Een heel mooi concreet voorbeeld hiervan vind je op de website van Gert Peersman: klik hier. In realiteit verstoort de overheid echter de huizenmarkt met de woonbonus (waarvan ik helemaal geen fan ben). De vraag naar huizen zal stijgen, maar het aanbod niet. Uiteindelijk heb je dus duurdere huizen waar je een korting op krijgt. Dat heeft dus geen enkel nut. Wie profiteert dan wel? De huizenverkoper natuurlijk, wellicht degene die het minst geld nodig heeft. Maar laten we even doen alsof de overheid de verstandige beslissing zal nemen en die woonbonus uiteindelijk zal afschaffen. Je moet immers al heel wat whisky drinken om 5 jaar lang goed te kunnen slapen bij het idee dat je huizenbezitters, die toch zeker niet arm zijn, een ferm cadeau blijft geven. Moesten ze sterven en hun huis aan hun kinderen overlaten, dan profiteren de kinderen ook omdat ze een overgewaardeerd huis erven, op kosten van de belastingsbetaler. Is dat rechtvaardig? Ik denk het niet.

Maar dus, focus: kopen of huren, het maakt niet uit. Uiteindelijk ben je even rijk. Als je echter in de praktijk gaat kijken, zie je dat huurders vaak minder vermogend zijn. Hoe komt zoiets? De reden ligt vooral bij één zaak: ze consumeren meer. Een koper en huurder zullen uiteindelijk immers enkel even rijk zijn wanneer de huurder evenveel spaart als de koper. Dat is logisch. Om even rijk te worden moet je evenveel sparen. De koper is gedwongen om te sparen want hij moet zijn lening afbetalen. Die heeft geen keuze. Die afbetaling moet maandelijks gebeuren en telkens vergroot hij zijn spaarpotje (zijn eigen aandeel in het huis). Kijken we naar de huurder, die houdt iedere maand heel wat meer over om te doen wat hij wil. De huur is immers lager dan de afbetaling, hij heeft geen onderhoudskosten, hij moet geen rente betalen, etc. Hij moet dat extra bedrag echter wel sparen op een spaarrekening ofzo. Doet hij dat niet en consumeert hij in de plaats, dan zal hij uiteindelijk minder rijk zijn dan de koper, maar wel beter geleefd hebben. Als huurder moet je héél wat discipline hebben om al dat overschot aan geld te sparen, terwijl je als koper discipline wordt opgelegd vanuit de bank. Dat is de reden waarom huurders doorgaans wat minder vermogend zijn dan praktisch identieke kopers.

Als een huurder dus minder rijk is dan een vergelijkbare koper in een vergelijkbare situatie met een vergelijkbaar huis, dan is dat omdat die huurder beter geleefd heeft. Nu moet je deze logica eens doortrekken naar die hele leefloon discussie. Stel dat we geen rekening houden met iemand’s huis. Ze hoeven hun huis niet te verkopen om een leefloon te krijgen. Ze hebben goed gespaard. Maar kijk nu naar de huurder, die heeft geen huis maar heeft véél meer geconsumeerd in zijn leven. Krijgt die dan ook dat leefloon? Of bekijk het anders. Stel dat je de huizeneigenaar zou vragen om eerst zijn huis te verkopen en te gaan huren. Dat zou al helemaal niet eerlijk zijn in vergelijking met de huurder, want die heeft ondertussen sowieso al véél meer geconsumeerd (beter geleefd), maar krijgt nu ook een zelfde leefloon. Dat is mogelijk nog veel erger.

Je kan je daar de vraag stellen: is het eerlijk om mensen die veel meer geconsumeerd en veel minder gespaard hebben op eenzelfde manier te behandelen als mensen die volop gespaard hebben? Je kan je ook de vraag stellen of het nodig is dat middelen worden afgenomen, o.a. ook van de armste 20%, om daarmee een deel van het leefloon te financieren van iemand die mogelijk véél rijker is dan henzelf. Dit gaat uiteraard over het idee achter de hele huis-heisa. Hoe leeflonen in de praktijk momenteel worden uitgekeerd weet ik niet zo heel goed, maar als men veranderingen wil aanbrengen is het verstandig om the economics van kopen versus huren erbij te betrekken.

Je moet je die vragen stellen. Ik ben er zelf nog niet uit, but I’m working on it.

De volksjury, psychologische vertekening en de wetenschappelijke methode

Laten we het eens hebben over de volksjury in een assisenproces. Ik ben geen juridische specialist, ik ben gewoon een vakidioot die vanuit zijn eigen wereld naar een andere wereld kijkt en een mening vormt. Ik schrijf hier gewoon mijn gedacht neer. En dat gedacht is eenvoudig: ik ben verbaasd dat we nog met zo’n verouderd systeem werken en ik zou liefst de afschaffing zien.

Even ter info: ook de Hoge Raad van Justitie was in 2009 van mening dat de volksjury afgeschaft moet worden, zie bijv. het artikel in De Standaard. De politiek is echter niet meegegaan met dat verhaal. Er bestaat ook een Volt debat over het afschaffen van de volksjury. Mijn hoofdargument voor afschaffing werd niet aangehaald in dat Volt debat en ik denk dat ik weet waarom. Het zou geïnterpreteerd kunnen worden als: “sommige mensen zijn te dom!” Dat is alvast niet de correcte interpretatie van mijn argument. Mijn argument stelt dat alle (alle!) mensen vatbaar zijn voor vertekeningen in hun beslissingsproces wanneer ze beslissingen moeten nemen waar onzekerheid rond heerst. Ze werden niet opgeleid om weerstand te bieden aan die vertekeningen en zijn daarom niet geschikt om dergelijke belangrijke beslissingen te nemen.

Het is ook weer een hele lange tekst geworden, wat deze post helaas niet populair zal maken. Maar soit, de geïnteresseerden geraken daar wel over.

De jury in een assisenproces

In België bestaat er nog een volksjury, in Nederland of Duitsland bijvoorbeeld niet meer. De voornaamste taak van zo’n jury is om de schuldvraag te beantwoorden. Dat is in theorie heel eenvoudig: is de beklaagde schuldig of niet? Ja of nee. Soms bepalen ze ook mee de strafmaat en tegenwoordig moeten ze hun beslissing ook motiveren. In zo’n jury zitten mensen die op toevallige wijze gekozen werden. Het idee daarbij is dat de jury een correcte verdeling van de populatie in de betreffende jurisdictie moet weergeven. De voorwaarden zijn niet echt beperkend: Belg zijn, tussen 28 en 65 jaar oud zijn, beschikken over de burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen van meer dan 4 maanden of tot een werkstraf van meer dan 60 uur. Er zijn nog een aantal beroepen die niet mogen, zoals bijv. arts, militair of hoge ambtenaar. M.a.w. dus praktisch alle mensen die u kent mogen in zo’n jury zetelen.

Hoe bepaalt u of iemand écht schuldig is? Soms is dat heel eenvoudig en zijn er héél sterke bewijzen. Een getuige, een wapen met vingerafdrukken, camerabeelden of een bekentenis. 100% zeker bent u natuurlijk nooit, maar in die gevallen kan u meestal wel op beide oren slapen. Soms is het echter niet zo zeker. Denk maar aan de hele controverse rond de parachutemoord. Er waren geen harde bewijzen, maar Clottemans zit nu toch maar in de gevangenis. Ik vraag mij dan af: is dat correct? Kunnen we dat systeem niet verbeteren? In ieder geval, een grondbeginsel van ons rechtssysteem is de onschuldpresumptie. Mensen zijn onschuldig totdat het tegendeel bewezen werd. Niemand hoeft dus zijn onschuld te bewijzen. Dat staat vermeld in art. 6, lid 2 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

“Everyone charged with a criminal offence shall be presumed innocent until proven guilty according to law”

Het woord proven is niet zo eenvoudig als het lijkt. Men kan bijna nooit 100% zeker zijn. Het gaat hier immers niet over wiskundige bewijzen die 100% zeker zijn. Vaak wordt het geformuleerd als beyond a reasonable doubt. Met andere woorden: iedere redelijke twijfel moet uitgeschakeld worden voordat men iemand schuldig mag verklaren. En dat is niet eenvoudig!

Een beetje statistiek

Ik wil iedereen meteen vertrouwd maken met mijn bezorgdheden. Daarom twee problemen die u intuïtief moet beantwoorden:

1) U bent een professor op een universiteit en geeft les aan 3e bachelor fysica: een groep van 57 studenten. Hoe groot is de kans dat twee of meer van die 57 studenten op dezelfde dag verjaren?

2) Beeld u een ziekte in die 1% van alle mensen treft en die een dodelijke afloop heeft als ze niet op tijd behandeld wordt. De olifantengriep, of een andere naam die gelijkaardig belachelijk is. Er is gelukkig een test die 99% van alle zieken correct als ziek classificeert en die 99% van alle gezonde mensen correct als gezond classificeert. Stel dat men die test bij u uitvoert en de test zegt “ziek”. Hoe groot is de kans dat u werkelijk ziek bent?

Denk rustig eens na over een mogelijk percentage… Schrijf het desnoods op.

Voordat ik u de antwoorden geef, laat mij u mijn eigen redenering vertellen in de tijd dat ik deze problemen voor het eerst ben tegengekomen en ik het antwoord dus nog niet kende. Er zijn 365 dagen in een jaar en er zijn maar 57 studenten. De kans dat twee van die studenten op dezelfde dag jarig zijn kan dan toch niet zo groot zijn, toch? 20% kans? Misschien 30%? Wel, de kans is nochtans 99%. Veel he? Zelfs als er maar 22 studenten zouden zijn, is de kans toch groter dan 50%! Uiteraard is dit niet wat uw intuïtie u vertelt. Uw intuïtie schat de kans veel lager in dan ze werkelijk is.

Op naar de test voor de ziekte. De test is 99% van de tijd correct, dus als de test zegt dat u ziek bent, zal u héél waarschijnlijk ook wel echt ziek zijn. Fout! De kans dat u ziek bent is maar 50%. Hoe kan zoiets nu? Die test is toch 99% van de tijd correct? Ja, maar er zijn veel meer gezonde mensen dan zieken, hetgeen de hele boel overhoop gooit. Een voorbeeld ter verduidelijking: stel 100.000 mensen doen die test, waaronder dus 1.000 écht zieke mensen en 99.000 écht gezonde mensen. Van de 1.000 zieken zullen er 990 als correct ziek worden bestempeld. Van de 99.000 gezonde mensen zullen er echter 990 als incorrect ziek worden bestempeld. We hebben dus uiteindelijk 990 correct zieken en 990 incorrect zieken. Het resultaat is dat de helft van die mensen (of 50%) de foute conclusie krijgt. Ook hier vertelde uw intuïtie u iets anders. U dacht dat de test vrij nauwkeurig was. Uw intuïtie schatte de kans veel hoger in dan ze werkelijk is.

Maak u geen zorgen, mensen schatten kansen continu verkeerd in. Te laag, te hoog, de hele tijd. Onze hersenen zijn daar niet voor gemaakt. En er zijn nog meer zaken waarvoor onze hersenen niet gemaakt zijn. We zien de hele tijd oorzaak-gevolg waar er enkel toeval in het spel is. We gebruiken dingen die we gezien hebben in onze eigen leefwereld en projecteren die op de hele wereld. We nemen beslissingen op basis van referentiepunten, enzovoorts. En nog erger: mensen die ons proberen te overtuigen van het tegendeel zijn allemaal leugenaars, toch? Wie hierover meer wil weten moet Ons Feilbare Denken van Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman maar eens lezen. Dat boek staat vol met voorbeelden.

De analogie met de wetenschappelijke methode

In de wetenschap wordt in principe hetzelfde probleem aangepakt als in een proces. Men zit met een bepaalde hypothese en wil onderzoeken of die klopt of niet. Er werd een methode uitgedacht om dat zo goed mogelijk te doen. Het is die methode die ik keer op keer heb uitgelegd aan studenten die bij mij bijles statistiek kwamen volgen. Maar het heeft niet enkel met statistiek te maken, het heeft vooral met logica te maken. Ik was steeds verbaasd dat niemand hen in de les had uitgelegd wat het basisprincipe achter hypothesetoetsing is, want het maakt alles zoveel duidelijker. Soit, hoe werkt het?

STAP 1. De eerste stap houdt in dat we een bepaalde hypothese gaan vooropstellen: de nulhypothese. Zeer belangrijk is dat die hypothese falsifieerbaar is, m.a.w. men moet zaken kunnen aanbrengen die de hypothese tegenspreken. Een hypothese die niet verworpen kan worden is bijvoorbeeld: ik word continu omringd door onzichtbare, onvoelbare, onhoorbare, geurloze en onmogelijk te observeren geesten. Zoiets kunnen we niet verwerpen en dus is dat een slechte hypothese. Een hypothese die wel verworpen kan worden is bijvoorbeeld: de gemiddelde Belg weegt 75 kilogram. Een andere hypothese zou kunnen zijn: de beklaagde is onschuldig. Ook die hypothese kan men verwerpen.

STAP 2. In de tweede stap gaan we ons verplaatsen naar een denkbeeldige wereld. Deze wereld noem ik de wereld van de nulhypothese. Dit is de wereld waarin de nulhypothese volledig klopt. M.a.w. dit is de wereld waar Belgen gemiddeld 75 kg wegen en de beklaagde écht onschuldig is. We vragen ons hier allerlei zaken af. Hoe ziet deze wereld eruit? Wat kunnen we verwachten in deze wereld? Als we experimenten zouden doen in deze wereld, hoe zouden de resultaten eruit zien? Als we een hoop toevallig gekozen Belgen op een weegschaal zetten in deze denkbeeldige wereld, welk gemiddelde gewicht kunnen we dan verwachten? Wellicht een cijfer rond de 75 kg. Of voor de andere hypothese: wat verwachten we als de beklaagde écht onschuldig is? Wel, we kunnen bijvoorbeeld een alibi verwachten. We kunnen ook verwachten dat er geen geweren met de vingerafdrukken van de beklaagde rondslingeren in de woonkamer en dat er geen getuigen zullen zijn die alles hebben gezien. M.a.w. in deze tweede stap bekijken we de implicaties van de nulhypothese, door ons denkbeeldig naar die wereld te verplaatsen.

STAP 3. In de derde stap verplaatsen we ons terug naar de realiteit, waar we allerlei échte observaties kunnen maken. Ook in deze wereld kunnen we een hele bende toevallig gekozen Belgen op een weegschaal zetten en hun gemiddelde gewicht berekenen. Of we gaan de plaats van de moord onderzoeken, op zoek naar mogelijke sporen of bewijzen. We kunnen mogelijk bewijsmateriaal vinden, zoals een hemd met bloed eraan of een paar schoenen met modder uit het veld achter de woning van de beklaagde. In deze derde stap gaan we dus observaties doen in de échte wereld, de realiteit.

STAP 4. In de vierde stap gaan we bekijken of de observaties uit stap 3 zouden kunnen bestaan in de wereld uit stap 2. Even herhalen dus: we hebben eerst bedacht hoe de wereld er zou uitzien als de nulhypothese zou kloppen. Vervolgens hebben we observaties gedaan in de realiteit. De vraag die we nu gaan beantwoorden is: als de nulhypothese zou kloppen, hoe groot is dan de kans dat we zouden observeren wat we in de realiteit geobserveerd hebben? Onduidelijk? Een voorbeeldje. Als het klopt dat Belgen gemiddeld 75 kg wegen (nulhypothese), hoe realistisch is het dan dat we een gemiddelde van 86 kg vinden in de realiteit (observatie)? Een ander voorbeeldje. Als het klopt dat de beklaagde onschuldig is (nulhypothese), hoe realistisch is het dan dat er modder uit het veld achter het huis aan zijn schoenen kleeft (observatie)? Eigenlijk is dit dus een kansuitspraak: indien de nulhypothese zou kloppen, hoe groot is dan de kans dat we observeren wat we in realiteit geobserveerd hebben?

STAP 5. In deze laatste stap gaan we een conclusie opstellen. Als het waarschijnlijk is dat onze observaties uit de realiteit ook in de wereld van de nulhypothese zouden kunnen bestaan, dan gaan we die nulhypothese niet verwerpen. Echter, als het onwaarschijnlijk is dat onze observaties uit de realiteit in de wereld van de nulhypothese zouden kunnen bestaan, dan gaan we de nulhypothese wél verwerpen. Bijvoorbeeld: we hebben 100 Belgen gewogen en hun gemiddelde is 76.3 kg. Is het waarschijnlijk dat onze observaties uit de wereld van de nulhypothese komen? Ja, want een observatie van 76.3 kg ligt niet zo ver van 75 kg af. Misschien zat er toevallig een iets dikkere Belg tussen die 100 Belgen, hetgeen de kleine afwijking zou verklaren. Dus hier gaan de nulhypothese niet verwerpen. Stel nu dat we 113.5 kg als gemiddelde zouden meten. Is het waarschijnlijk dat we zo’n cijfer zouden tegenkomen als Belgen gemiddeld maar 75 kg zouden wegen? Neen, en dus verwerpen we de hypothese dat Belgen gemiddeld 75 kg wegen. Zo werkt dat dus.

Het probleem

U kan dus zien dat we een overweging maken gebaseerd op kansen: hoe waarschijnlijk is het dat de gemeten observaties uit de wereld van de nulhypothese komen? Als die kans klein is, verwerpen we de nulhypothese. Als die kans groot is, verwerpen we de nulhypothese niet. Het probleem wordt nu wel complex: vanaf welke kans gaan we verwerpen? In de wetenschappen is dat doorgaans 5% of kleiner. Om de vergelijking te maken met schuld en onschuld: dit wil dus zeggen dat per 100 beklaagden altijd 5 mensen onschuldig de bak in zullen vliegen. Dat is uiteraard teveel. Zijn we dan tevreden met 99%? Dan hebben we 1 op 100 onschuldige mensen in de bak. Nog steeds teveel. 99.9%? Dat zijn 1 op duizend onschuldige mensen. Nog altijd veel. Als u terug denkt aan de vraagstukjes hierboven, zou u dan als jurylid intuïtief kunnen bepalen wanneer u 99% zeker bent? 99.9%? Tuurlijk niet, dat is praktisch onmogelijk, zelfs voor mensen die daarvoor opgeleid worden.

U ziet dat dit niet gemakkelijk is. Bovendien kan u in een assisenzaak geen kansen schatten zoals u dat in andere situaties (bijv. economisch onderzoek) misschien wel kan. U moet de wetenschappelijke methode dus eerder intuïtief toepassen. Ten tweede is het veel moeilijker om een grenswaarde te kiezen, want u beslist over mensen hun leven. 5% is OK voor de wetenschappen, maar 5 op 100 onschuldige mensen in de gevangenis is onaanvaardbaar. Ten derde: hoeveel Belgen zijn zich bewust van de wetenschappelijke methode en kunnen die zonder problemen toepassen? Ik denk dat ik op straat zelfs heel wat mensen kan vinden die mij niet eens kunnen vertellen wat een hypothese is. En dat is ook niet erg! Dat is dus helemaal geen verwijt, want die mensen hebben dat niet nodig in hun dagelijkse leven. Maar, ze hebben dat wél nodig wanneer ze over de volgende jaren van iemands leven beslissen in een assisenproces. Dat is net het probleem met die hele volksjury. Ze zijn niet getrained in het toepassen van die methode. Neem het van mij aan, zoiets heeft veel oefening nodig. Elke implicatie onderzoeken, elke toevalligheid schrappen, het is niet eenvoudig!

De conclusie

Voor mij is het grote probleem dus eenvoudig: het feit dat de wetenschappelijke methode in strafzaken vrij intuïtief moet toegepast worden, in combinatie met het feit dat iedere ongetrainde mens onderhevig is aan vertekeningen langs alle kanten, wijst erop dat het beter kan dan een volksjury. Waarom hebben Jef Vermassen en Vic Van Aelst zo’n grote reputatie? Zijn ze beter in het achterhalen van de waarheid? Zijn ze beter in het interpreteren van feiten? Of zijn het advocaten die precies weten hoe ze in het hoofd van de jury die klik moeten maken die hen naar de “juiste” kant duwt? Ik vermoed dat laatste. Een volksjury is allesbehalve perfect. En professionele jury zal ook wel fouten maken, maar ik ben er rotsvast van overtuigd dat ze hun vertekeningen kunnen verminderen met behulp van opleiding en training. Beleggers die men bewust maakt van allerlei vertekeningen bij het beleggen zullen immers ook betere beleggers worden. Zo niet, dan leren ze het wel the hard way. Maar in een assisenproces mag het zover niet komen.

Statistiek en recht

Iets wat ik regelmatig zo eens denk, is dat men in het hele rechtsgebeuren eigenlijk toch niet heel veel bezig is met statistiek (in de zin van probabiliteit, niet in de zin van cijfers bijhouden op een computer). Die mening is uiteraard onderworpen aan mogelijke onwetendheden aan mijn kant. Ik heb zo ooit eens een anekdote gelezen in een boek (ik geloof The Black Swan, maar ben helemaal niet zeker) over een moeder die terecht stond. Ze had twee kinderen gekregen en beide zijn kort na hun geboorte overleden. De openbare aanklager vond dat zoiets altijd wel één keer kan gebeuren, maar als het twee keer gebeurt, dan is er toch stront aan de knikker! De advocaat volgde dezelfde redenering. Ze spraken van een ziekte die maar heel weinig voor kwam bij kleine kinderen maar altijd tot de dood leidt. De kans op die ziekte was heel klein, bijv. 0.01%. Als zoiets je één keer overkomt, heb je dikke pech natuurlijk. Laat staan dat het twee keer gebeurt. En dat was dan ook het argument van de openbare aanklager. De kans dat zoiets twee keer gebeurt is zóóó klein dat de vrouw wel schuldig MOET zijn! 0.01% x 0.01% = 0.000001% of 1 keer per 100 miljoen gevallen. Zoiets kan toch gewoon niet! Ten eerste, zoiets kan natuurlijk wel. De kans om EuroMillions te winnen is zelfs kleiner, en er bestaan genoeg mensen die EuroMillions gewonnen hebben. Maar ik snap hun punt wel, de kans is zo klein dat die hypothese wel heel onwaarschijnlijk lijkt. Al was de openbare aanklager natuurlijk wel vergeten dat als je één baby hebt die overlijdt aan zo’n ziekte, dat de kans dat het nog eens gebeurt véél groter is, vanwege het feit dat het één en dezelfde moeder is die de kinderen baart. De gebeurtenissen zijn niet onafhankelijk en de hele 0.01% x 0.01% berekening klopt dus niet.

(Ondertussen heeft mijn Twitter-kameraad Koenfucius mij een link naar het hele verhaal bezorgd, waarvoor dank, Koen! Hier te vinden: http://en.m.wikipedia.org/wiki/Sally_Clark)

Ook zat ik laatst met mijn vriendin naar De Rechtbank te kijken, een bijzonder interessant programma. En daar komen nogal eens wat dronken chauffeurs langs. En wat ik toch niet kan laten, is opmerken dat degenen die gewoon een verkeersbord omrijden of ergens in een rij geparkeerde auto’s crashen, er altijd zo goed mee wegkomen! Ik zag er zelfs eentje lachen nadat hij zijn straf hoorde. Een paar honderd euro boete, misschien een kleine werkstraf. Naar mijn normen is dat toch vrij goed wegkomen, niet?

In ieder geval, als vakidioot kan ik het niet laten om dan telkens te denken… what if? Stel dat ik op dit moment op café zit. Ik drink 10 pinten. Ik ga naar buiten en stap in de auto. Ik woon 15 minuten verderop. Hoe ziet de kansverdeling van de komende 15 minuten eruit voor mij? Wel, ik geef maar een voorbeeld:

  • 96% => ik kom ongedeerd en zonder problemen thuis aan
  • 2% => ik word gepakt door de politie, moet blazen, en krijg een boete
  • 1% => ik vlieg ergens in de gracht en mijn auto is total loss
  • 1% => ik neem een fietser mee en die sterft aan zijn verwondingen

Uiteraard is dit slechts een voorbeeld. Er zijn honderden, zoniet duizenden dingen die kunnen gebeuren, maar die kan ik natuurlijk allemaal niet opnoemen. Ik denk dat er niet veel mensen zullen beargumenteren dat ik niet gestraft dien te worden. Vanaf het moment dat ik dronken in de auto stap, verdien ik een straf. Waarom? Omdat ik bewust het risico verhoog dat ik schade zal aanrichten aan derden, waarvan zelfs een niet te onderschatten kans om mensen te verwonden of te doden. En natuurlijk verhoog ik ook het risico dat ik zelf zal sterven. Maar helaas, we kunnen niet iedereen pakken. Er worden maar 4 op 100 chauffeurs gepakt in mijn voorbeeld, want die anderen komen zonder veel problemen thuis aan.

Wat is mijn punt dan? Wel, dat die 4 chauffeurs die gepakt worden een andere straf zullen krijgen. Dat we die 96 anderen niet pakken, daar kunnen we weinig aan doen. Maar we kunnen op zijn minst die 4 gepakten op een eerlijke manier bestraffen. Die 2% moet een boete betalen en is mogelijk ook een tijdje het rijbewijs kwijt. Die 1% grachtliggers krijgen wellicht een kleine boete voor dronken rijden, who knows. Maar die 1% die de fietser dood rijden, wat gebeurt daarmee? Die krijgt wellicht een gigantische boete, misschien zelfs een gevangenisstraf en niet te vergeten de eindeloze misprijzing van de maatschappij. Nochtans hebben al die 100 chauffeurs exact hetzelfde gedaan. Sommigen hebben geluk gehad, anderen iets minder. En het is daarom dat ik het zo vreemd vind dat rechters milder lijken wanneer er niet al te veel schade werd aangericht.

Ik besef maar al te goed dat we niet iedereen kunnen pakken. Maar eenmaal de mensen gepakt zijn, wat houdt ons tegen om hen te bestraffen op basis van de kansverdeling die ze gekozen hebben, in plaats van de uitkomst uit die kansverdeling? “Ah, gij kiest ervoor om dronken te rijden, dat is dan X euro of Y gevangenis”. En dan maakt het niet uit of je een fietser meehebt of niet. En natuurlijk zijn er ook nuchtere mensen die ooit eens een fietser meenemen, maar die hebben dan weer een andere kansverdeling (veel minder risicovol uiteraard) en hoeven dan ook niet zo hard (of zelfs helemaal niet) gestraft te worden. Nog een voorbeeldje: ik sla iemand tegen zijn oogkas en hij valt van de trap. Breekt hij zijn nek, dan heb ik doodslag aan mijn broek. Breekt hij zijn wijsvinger, dan betaal ik misschien een kleine schadevergoeding. En nochtans hangt veel van die uitkomst af van het geluk, van het toeval.

Al bij al, ik pleit ervoor dat men meer rekening houdt met het toeval bij het straffen van mensen. And for that matter: ook bij het belonen van mensen (in de bedrijfswereld vooral dan). Geef iedereen die een bepaalde “kansverdeling” kiest een gelijke straf, ongeacht de uitkomst van die kansverdeling. Degene met geluk straffen we dan meer dan nu, degene met pech wellicht iets minder. En gemiddeld komt de straf mooi overeen met de daad, en hebben we dat hele systeem van “geluk hebben” weer iets minder belangrijk gemaakt. Iedereen gelijke kansen, toch? Ik vind het daarom ook jammer dat studenten in de Rechten geen statistiek krijgen (aan de KUL toch niet althans, al is het wel een van de tientallen keuzevakken, wellicht niet echt populair). Dat is jammer, want mensen hebben van nature uit een aangeboren drang om kansen en statistiek te negeren. Dat is al vaak wetenschappelijk aangetoond (zie bijv. het werk van Kahneman). Dus zoiets moet in onze opleiding zitten. Zelfs al op het middelbaar, vind ik.

Maar zoals ik al zei, ik ben geen specialist terzake en ik vertel hier gewoon maar wat observaties die ik maak terwijl ik TV kijk. Net zoals bij iedereen is mijn hersenactiviteit ook niet optimaal tijdens het TV kijken, dus vergeef mij mijn schulden… 😉

De overheid: haar uitgaven en kerntaken

Er zijn soms van die discussies over de overheid, over wat ze wel of niet zou mogen doen. Een mooie blogpost hierover is die van Andreas Tirez over subsidies voor cultuur (http://www.economieblog.be/wordpress/tegen-cultuursubsidies/). Kort samengevat stelt zijn blogpost dat de overheid wat betreft cultuur subsidies uitkeert aan zaken waarvan niet vaststaat dat ze maatschappelijke baten met zich meebrengen. Hij focust zich met andere woorden op een meer fundamentele vraag. Veel debatten gaan over hoe men de centen van de overheid moet verdelen (hoeveel naar A, hoeveel naar B?), terwijl het minder vaak gaat over of de overheid die centen eigenlijk wel zou moeten hebben (moeten A en B wel iets krijgen van de overheid?). Voor veel mensen lijken die discussies nogal abstract. Het is moeilijk om te overzien wat de overheid allemaal binnenkrijgt, waar ze het allemaal aan uitgeeft, enzovoorts. Ik vind het zelf ook niet altijd even makkelijk om te bepalen of bepaald beleid nu goed of slecht is. Ik gebruik er altijd een truckje voor. Een truckje dat ik voor alle zaken gebruik die op het eerste zicht te complex zijn: vereenvoudiging.

De overheid als een groepje vrienden

Ik vergelijk de overheid altijd met een groepje mensen die samenkomen en die dingen beslissen voor “the common good”. Want dat is de overheid in essentie ook. Dat simpele feit wordt verwaterd door allerlei complexe organisaties, wetten, politici met eigen agenda’s, enzovoorts. Maar in essentie is de overheid niet meer en niet minder dan de hele bevolking die samen aan tafel komt zitten en bepaalt wat er allemaal gedaan moet worden zodat ze als geheel beter af zijn. Een voorbeeldje. Stel je bent met 10 vrienden en je gaat een BBQ organiseren. Er werd afgesproken dat iedereen een gelijk deel van de kosten op zich neemt. Maar dan blijkt opeens dat Joske niet genoeg geld heeft. De anderen hadden hem toch graag in de groep gehad, want Joske is toch zo’n lolbroek! De negen anderen zetten zich rond tafel, geven elk wat euro’s af, zodat ze vlees en een tomaat kunnen kopen voor Joske. En uiteindelijk amuseert iedereen zich op de BBQ.

Dat is het ideale scenario van hoe een overheid zou werken. Nu laten we eens overgaan naar een ander voorbeeld. 30 vrienden willen nieuwjaar vieren en besluiten om een zaal te huren. Er wordt besloten dat iedereen 25 euro zal bijdragen. Een aantal mensen neemt de organisatie op zich en koopt drank en iets om te eten. Het volk komt binnen, de tafel staat vol met flessen drank en er zijn bitterballen. Hoera! De dag erna spreekt iedereen over zijn eigen ervaringen en horen de 30 vrienden opeens dat er elders nog een ander feestje was. Die andere vriendengroep had ook besloten 25 euro samen te leggen. Maar zij hadden hiervoor veel meer in ruil gekregen. Blijkbaar was er veel meer drank en ook veel meer keuze. Naast bitterballen was er ook een pastabuffet en er was zelfs een frietkraam! Nu zitten de vrienden met een probleem. Blijkbaar is hun geld helemaal niet zo goed uitgegeven. Blijkbaar is men drank gaan kopen in de nachtwinkel in plaats van in de Colruyt, en dat kost natuurlijk een pak meer. De DJ bleek achteraf ook nogal aan de dure kant. Daardoor was er geen geld meer voor de frietkraam en voor het pastabuffet. Jammer zeg… De tweede vriendengroep had voor hetzelfde geld véél meer in ruil gekregen. Iedereen weet dat een frietkraam dubbel ambiance is…

Jullie zien waar ik naartoe wil gaan. Een overheid werkt ongeveer op dezelfde manier. Het is een groep mensen die samenkomen en die allerlei dingen doen met gemeenschappelijk geld. Het enige probleem met mijn vereenvoudiging is dat de beslissingen van de overheid een hele hoop extra effecten creëren. Als een vriendengroep 100 euro uitgeeft, zijn ze die kwijt en basta. Een overheid kan geld uitgeven, maar is het dan ook niet meteen weer volledig kwijt. Hun uitgaven kunnen de economische groei stimuleren, hetgeen op zich weer extra belastingsinkomsten met zich meebrengt, enzovoorts. Maar er is één belangrijke constante: er kan geen euro worden uitgegeven zonder dat iemand die euro heeft opgehoest. De overheid kan geen geld uitgeven als niemand die euro eerst afgeeft. M.a.w. het geld moet ergens van komen.

Hoe komt de overheid aan geld?

De overheid heeft een aantal opties om aan geld te komen:

  • De “vandaag”-optie is om belastingen te heffen op allerlei zaken zoals lonen, consumptie, etc. De overheid kan bijvoorbeeld zeggen: op ieder pakje sigaretten worden nu X% belastingen betaald. De bevolking zal meteen voelen dat ze meer geld moeten afgeven.
  • De “toekomst”-optie is om geld te lenen. De overheid leent dan geld van mensen die geld teveel hebben, geeft dat geld uit, en betaalt het X jaar later terug. De bevolking zal niet meteen, maar pas later, voelen dat ze meer geld hebben uitgegeven. Daarom dat het voor overheden altijd aantrekkelijk is om te lenen. De overheidsschuld stijgt dan wel, maar de afbetaling is voor later, terwijl de cadeaus vandaag al uitgedeeld kunnen worden. Eeuwig schulden doorrollen (vandaag 100 euro lenen tot volgend jaar, volgend jaar opnieuw 100 euro lenen om de terugbetaling te doen, etc…) zal niet werken, want alle rentebetalingen die je moet doen in zo’n strategie zijn in huidige waarde gelijk aan een schuld van 100 euro.
  • Nog een andere (speciale) optie is om de centrale bank geld uit het niets te laten creëren en dat geld aan de overheid te geven. Concreet zou de centrale bank dan nieuwe overheidsobligaties kunnen opkopen. In de Europese context is dat politiek moeilijk haalbaar, de V.S. kunnen het iets makkelijker doen. Het probleem is echter dat wanneer je als een gek vers geld drukt en de overheid dat uit begint te geven, dat je dan inflatie krijgt, en dat is ook een vorm van belasting voor de inwoners van een land. Maar drukt de centrale bank nu al niet heel veel geld? Ja, maar dat zit vooral bij de banken die daar voorlopig niet veel mee doen. Het is pas wanneer dat geld in de economie terecht komt, dat er inflatie komt. Natuurlijk zegt de centrale bank dat ze op dat ogenblik de juiste dingen zullen doen om die inflatie tegen te gaan. We zullen zien of dat ook zo zal zijn.

Maar alle opties houden dus in dat de bewoners van een land betalen voor de uitgaven van de overheid. Vandaag, morgen, binnen 10 jaar, maakt niet uit, ooit moet men betalen. Nog een andere optie is om als overheid te weigeren om alle leningen terug te betalen, maar je moet dan maar eens zien hoe goed het met het land zal gaan, zodra niemand het land nog vertrouwt (cfr. Griekenland). Ook niet goed…

Euro in, euro out

We weten nu dus dat wanneer de overheid een euro uitgeeft, dat iemand anders die euro eerst kwijt is. Dan is de volgende vraag cruciaal: wat zou die persoon met die euro gedaan hebben als hij die niet zou moeten afgeven? Stel dat iemand van plan is om een euro te spenderen aan een zeer efficiënte boerderij. Maar in plaats daarvan neemt de overheid die euro af en investeert ze in een boerderij die maar half zo efficiënt is. Dat wil dus zeggen: voor hetzelfde geld maar half zoveel maïs. Dat zou uiteraard een bijzonder spijtige zaak zijn. De overheid kan die euro ook afnemen en daarmee een mooi standbeeld bouwen in het midden van het dorp waar iedereen zeer blij mee is. Dan is er wel minder maïs, en een standbeeld is nu niet echt productief, maar toch zijn de mensen tevreden. Dus: telkens wanneer de overheid geld afneemt van individuen om daar iets mee te doen, moeten we erop letten dat dat geld productief wordt ingezet, en zoniet: dat de uitgave tenminste een gewenst maatschappelijk doel nastreeft. Het moet niet altijd productief zijn, maar het moet op zich gewenst zijn door de bevolking.

Cultuur

Laten we dit alles eens doortrekken naar de blogpost van Andreas. Ik ken niet zo heel veel van cultuur, dus pik ik er gewoon een hypothetisch voorbeeldje uit: theater. Sommige mensen zien graag theater. Maar kennelijk is het voor die theaters niet winstgevend om op hun eentje allerlei producties rond te krijgen. Ze maken verlies en hebben subsidies nodig om dat verlies te compenseren. Waarom dan niet de toegangsprijs omhoog brengen? Wel, blijkbaar zou theater veel te duur zijn als men de prijs zou vragen die alle kosten zou dekken. Niemand zou dan nog naar het theater gaan. De vraag is dan: moeten we wel theater hebben als niemand wil betalen wat dat theater werkelijk kost? Stel dat het niet over theater gaat maar over lelijke broeken. De producent geraakt die broeken enkel kwijt wanneer hij de prijs voldoende laag zet. Maar dan kan hij zijn kosten niet dekken, hij maakt dan verlies. Ofwel krijgt hij dan subsidies van de overheid zodat hij verder kan doen met het produceren van lelijke broeken zonder verlies te maken, ofwel gaat hij failliet. Iedereen vindt het normaal dat deze persoon failliet zou gaan. We gaan toch geen overheidsgeld uitgeven zodat iemand lelijke broeken kan blijven fabriceren? Natuurlijk niet! Toch lijkt het heel normaal dat er voor theater een uitzondering wordt gemaakt, ondanks dat niemand theater zou willen zien als men de prijs zou vragen die de kosten dekt. Ik pleit hier helemaal niet voor de afschaffing van theater. Ik wil gewoon even duidelijk maken wat er allemaal aan de hand is. Als een bepaalde zaak subsidies nodig heeft om te blijven overleven, dan wil het zeggen dat er kennelijk niet genoeg mensen genoeg geld op tafel willen leggen. In normale omstandigheden gaat de producent failliet. Maar bij theater zegt de overheid iets anders. Blijkbaar is theater een cultureel erfgoed, iets dat belangrijk is voor de maatschappelijke ontwikkeling. Of dat zo is, daar moei ik mij niet mee. Als dat klopt, lijken subsidies op zijn plaats. Als dat niet klopt, dan lijken subsidies even absurd als subsidies voor lelijke broeken. En Andreas stelt dus dat het niet wijs is om te veronderstellen dat theater maatschappelijke baten zou hebben wanneer daar weinig bewijzen toe zijn. Ik weet niet of die stelling klopt, maar het is de moeite om daarover eens na te denken. Opnieuw: ik pleit hier dus niet voor de afschaffing van theater. Ik gebruik het gewoon als voorbeeld om de focus te leggen op de fundamentele taken van de overheid en hoe we over die taken moeten nadenken.

Nadenken over kerntaken

Wat mij vaak stoort aan België en eigenlijk aan het hele Europese continentale model is dat men zich kennelijk niet meer afvraagt welke functies de overheid allemaal zou moeten uitvoeren. Een minister kan hier gewoon bepalen dat kinderen geen GSM meer mogen hebben, en zet de ouders en hun opvoeding zo volledig buitenspel. Laat staan dat er wetenschappelijk bewijs is dat GSM’s werkelijk schade zou toebrengen aan kinderen. Better safe than sorry? Ja, dat zou perfect kunnen. Misschien is het uitstekend beleid, omdat ouders veel fouten maken wat betreft GSM’s voor hun kinderen, maar misschien ook niet. Maar er kraait geen haan naar. Althans, ik hoor die hanen toch niet kraaien (buiten hier en daar een eenzame libertariër). We zijn zo ver gekomen dat dat geen fundamentele discussie meer is, zoals in de V.S. (waar men trouwens ook meer en meer richting overheidsingrijpen evolueert), maar eerder iets dat speelt op de achtergrond. En dat vind ik toch wel jammer. Ik zeg niet dat we meer zoals de V.S. moeten zijn, maar ik vind wel dat we meer mogen nadenken over welke taken de overheid op zich neemt.

Het mag geen standaardassumptie zijn dat de overheid het beter kan. De overheid moet bewijzen dat ze het beter kan.

Uiteraard kan je zien dat de eerder linkse partijen vaker van bovenaf het gedrag van de bevolking willen sturen, terwijl de eerder rechtste partijen de macht vaker bij het individu leggen. Dat is een ideologisch keuze, maar wel een belangrijke, en daarover moet men nadenken.