Geldcreatie. Get your money for nothin’, get your chicks for free.

Get your money for nothin’, get your chicks for free, zingt Mark Knopfler wel eens, terwijl hij er tegelijkertijd een kick-ass gitaarriffje over gooit. Ik ben een financieel econoom, dus mijn onderzoek gaat eigenlijk maar over één ding: geld! Over die “chicks for free” heeft een academicus doorgaans niet veel te zeggen… Maar soit.

Geld is in normale omstandigheden vrij eenvoudig. Je krijgt iedere maand je loon of een ander inkomen, geeft wat uit hier, geeft wat uit daar, je doet een overschrijving, betaalt met een credit card, enzovoorts. Maar geld is complexer dan je denkt. Waarvan komt geld? Hoe wordt het gemaakt? En wie maakt het? Enzovoorts. Onlangs schreef de Bank of England twee mooie stukjes in hun Quarterly Bulletin die dieper ingaan op wat geld is en hoe het gecreëerd wordt. Die stukjes kan je hier en hier vinden. De stukjes zijn eenvoudig geschreven, maar je bent er wel even mee bezig. Daarom zal ik in deze blogpost de belangrijkste zaken een beetje samenvatten.

Wat is geld?

Geld wordt doorgaans gedefinieerd door te kijken naar de eigenschappen waaraan het moet voldoen. Dit zijn er drie:

  1. Ruilmiddel of “medium of exchange”. Geld moet je kunnen gebruiken om transacties mee te doen. Iets dat je wil hebben omdat je het uiteindelijk wil wisselen tegen andere zaken en niet omdat je het geld zelf wil hebben.
  2. Rekeneenheid of “unit of account”. Met geld moet je kunnen rekenen en goederen en diensten moeten een waarde krijgen. Dit kan met geld, bijvoorbeeld het aantal euro dat je betaalt voor een blik cola.
  3. Opslagmedium of “store of value”. Van geld moet je kunnen verwachten dat het zijn waarde redelijkerwijs zal behouden op een vrij voorspelbare manier doorheen de tijd. Als we zouden betalen met tomaten, zou dat bijvoorbeeld geen goed opslagmedium zijn. Die zijn binnen 2 weken immers slecht.

Lang geleden betaalde men met allerlei zaken, bijvoorbeeld met graan of met vee. Dat is niet altijd even makkelijk, want als ik iemand mijn schapen verkoop, heb ik misschien helemaal geen behoefte aan vee, maar heb ik liever een paar stukken hout. Al snel maak je de stap naar zilver en goud en dergelijke. Daarvan kan je mooie munten maken die iedereen aanvaardt en dus kan je handel drijven. Ik krijg wat goud voor mijn schapen en met dat goud ga ik hout kopen. Probleem opgelost. Er moet natuurlijk altijd een grote hoeveelheid vertrouwen aanwezig zijn om van geld te kunnen spreken. Ik kan niet vandaag stellen dat vanaf nu lege blikjes cola een betaalmiddel zijn. Niemand zal dat aanvaarden, tenzij heel veel mensen akkoord zijn met lege blikjes cola als betaalmiddel. Het helpt altijd wanneer er een overheid is die ervoor kan zorgen dat iedereen geld aanvaardt als een betaalmiddel, mede al omdat ze belastingen innen in de betreffende munt.

Natuurlijk leven we vandaag in een hele andere wereld. Een zeer complexe wereld. Om in een economie een vrij stabiel prijspeil te garanderen, moet je de voorraad geld op een verstandige manier beheren. Als de geldvoorraad te sterk stijgt, dan beginnen alle prijzen te stijgen (inflatie). Als de geldvoorraad te traag stijgt, dan beginnen alle prijzen te dalen (deflatie). Allemaal zaken waar we niet perse op liggen te wachten. Bij deflatie is morgen alles goedkoper dan vandaag en stelt dus iedereen zijn aankopen uit, wat niet bepaald stimulerend is voor de economie. Het ontstaat wanneer de geldvoorraad trager groeit dan de economie zelf, bijvoorbeeld:

  • Vandaag: 1000 koeien en 1000 goudstukken => 1 goudstuk per koe
  • Volgend jaar: 2000 koeien en 1500 goudstukken => 0.75 goudstukken per koe

Bij te hoge inflatie wordt alles veel te snel duurder en verlies je continu koopkracht. Ook niet echt interessant. Het ontstaat wanneer de geldvoorraad sneller groeit dan de economie zelf, bijvoorbeeld:

  • Vandaag: 1000 koeien en 1000 goudstukken => 1 goudstuk per koe
  • Volgend jaar: 2000 koeien en 3000 goudstukken => 1.5 goudstukken per koe

Een interessante optie is om in ieder geval te zorgen voor een klein beetje stabiele inflatie, bijv. ongeveer 2% per jaar. Dat is meteen het doel van de ECB. De voorraad goud kan je amper beheren en dus is het moeilijk om een inflatie van 2% per jaar na te streven. Als de economie plotseling sterk zou groeien kan je de goudvoorraad niet zomaar laten meegroeien. Idem met een groeivertraging. Daarom werken we nu met “fiat geld” (dat heeft niets met het automerk te maken), oftewel de allerbekende euro, dollar, pond, enzovoorts. In munt-, brief- en virtuele vorm. Vroeger kon je tijdens de goudstandaard wel nog alle munten omwisselen tegen een hoeveelheid goud, zodat goud in principe nog steeds de beperking leverde op de geldhoeveelheid. Sinds het sneuvelen van de goudstandaard werken we volledig met fiat geld. Geld is gewoon geld en wordt niet langer gekoppeld aan andere zaken.

Fiat geld

Fiat geld is bijzonder interessant omdat het uit het niets kan gecreëerd worden door mensen die daarvoor bevoegd zijn: de centrale bank en de commerciële banken (bijv. KBC en ING). Laten we beginnen met de centrale bank of de ECB. De centrale bank beheert de drukpersen. Ze kunnen zoveel euro’s slaan en drukken als ze maar willen. Uiteraard is dat geld dat uit het niets gecreëerd wordt. Er zijn eerst 0 briefjes van 50 euro en na het drukken zijn er 1.000.000 briefjes van 50 euro. Geldcreatie! Bovendien kunnen ze wanneer ze bepaalde zaken aankopen, zoals bijvoorbeeld overheidsobligaties, deze betalen met virtueel geld. Dat geld ontstaat ook uit het niets. Het is gewoon een digitale transactie en de ECB is bevoegd om dat virtuele geld gewoon “te creëren” en daarmee te betalen. Dat hebben ze trouwens massaal gedaan tijdens de eurocrisis. Ze hebben toen heel veel Europese obligaties gekocht, waardoor de vraag en dus ook de prijs ervan steeg, hetgeen impliceert dat de rente op zo’n obligatie daalt (zie mijn andere blogpost voor de intuïtie achter dit fenomeen).

Centrale banken creëren dus met gemak geld uit het niets. Dan hebben we nog de commerciële banken. That’s right, het KBC kantoor bij jou om de hoek kan geld creëren uit het niets! Stel dat je voor een hypothecair krediet langsgaat bij je kantoor en dat ze je een lening van 300.000 euro toekennen. Op dat moment zal de bank op jouw rekening bij hen een bedrag “bijschrijven” van 300.000 euro. Dat geld was er voorheen niet en is er nu wel: geldcreatie! De bank hoeft die 300.000 euro trouwens nergens te gaan zoeken om ze aan jou te kunnen geven. Ze knippen gewoon met hun vingers en de 300.000 euro ontstaat uit het niets. Zo werkt geldcreatie.

De fout die veel mensen maken is denken dat de bank dat geld éérst ergens moet gaan zoeken om die lening aan jou te kunnen geven. Uiteraard kan een bank niet zoveel geld creëren als ze wil. Er zijn vereisten waaraan ze moet voldoen. Maar laat het duidelijk zijn dat een bank niet eerst geld bij spaarders moet gaan zoeken voordat ze dat geld verder kan uitlenen aan ondernemers die willen investeren in hun KMO. In de praktijk krijg je echter toch gedrag dat hierop lijkt. Als KBC aan jou een lening uitschrijft, dan wil dat zeggen dat ze enerzijds een schuld hebben, de 300.000 euro die op jouw rekening staat en die ze je moeten geven wanneer jij daarnaar vraagt, maar anderzijds een bezit, namelijk het contract waarop staat dat jij 300.000 euro zal terugbetalen over de komende 25 jaar. Bezittingen en schulden zijn dus in evenwicht. Maar stel nu dat jij die 300.000 euro van je rekening haalt om de verkoper van het huis mee te betalen, die bij ING een rekening heeft. Je schrijft het geld over naar ING. Op die manier heeft de verkoper 300.000 euro op zijn rekening staan. Dat is dus een schuld van ING naar de verkoper toe, want die kan op eender welk moment die 300.000 euro opvragen bij ING. ING zal dan zeggen: “Ho, wacht eens even KBC! Als je ons schulden geeft, moet je ons ook bezittingen geven, zodat alles in evenwicht is!”. En ze hebben gelijk natuurlijk. Daarom zal KBC van haar eigen “zichtrekening” bij de ECB (reserves in het jargon) geld overschrijven naar de “zichtrekening” van ING bij de ECB. ING krijgt er een schuld maar ook een bezit bij en is dus tevreden.

Het feit dat jij die 300.000 euro op jouw rekening bij KBC zal uitgeven, zal uiteindelijk dus ervoor zorgen dat KBC een deel van haar reserves kwijtspeelt. Teveel reserves kwijtspelen is nooit goed. KBC zal dus zorgen dat die op peil blijven, en dat kan gebeuren door externe financiering aan te trekken, bijvoorbeeld spaarders lokken of geld lenen van andere banken. En nu is de cirkel rond. Je ziet dat KBC een lening verstrekt en je ziet ook dat ze geld ophaalt bij bijvoorbeeld spaarders. Je zou dan denken: ze moeten dat geld eerst ophalen bij spaarders om daarna de lening aan mij te kunnen geven. Maar dat klopt dus niet. Ze kunnen het geld van mijn lening gewoon uit het niets creëren, maar zullen om hun reserves te behouden ook extern geld willen aantrekken.

Leuke weetjes

Je kan enkele leuke vragen stellen nu. Hoe betaalt een centrale bank bijvoorbeeld haar werknemers uit? Geldcreatie! Ze schrijven de lonen over op de betreffende zichtrekeningen van de werknemers die hun zichtrekening bijv. bij KBC hebben (en dus een schuld voor KBC aan de werknemers) en tegelijkertijd schrijven ze het bij op de rekening van KBC bij de centrale bank (hun reserves, een bezit voor KBC). KBC vindt dat dus prima, maar ondertussen werd er wel virtueel geld gecreëerd. Wat als KBC een stel computers aankoopt en die vervolgens betaalt? Geldcreatie! Dat wil echter niet zeggen dat KBC die computer gratis zal krijgen, want ze speelt uiteindelijk reserves kwijt. Reserves worden dus vervangen door computers, een beetje zoals normale bedrijven geld op hun zichtrekening zouden vervangen door computers.

Ik had het er ook over op het werk en mijn promotor had nog een leuke: wat als de ECB letterlijk geld drukt? Stel dat de centrale bank muntjes van 1 eurocent “drukt”. De kostprijs van de productie van die muntjes is zelfs groter dan 1 eurocent per muntje, maar stel even dat de kostprijs 1 eurocent is. Stel dat de ECB 1 miljard euro aan 1 eurocentjes drukt. Die stapel centjes kunnen we duidelijk observeren: dat is 1 miljard euro extra geld in muntvorm, uit het niets! Maar wanneer de ECB de producent van die muntjes moet betalen, zal ze ook geld uit het niets creëren om daarvoor te betalen. Ze zal immers een bedrag storten op de zichtrekening van de producent en de reserves bij dezelfde bank ook doen stijgen. De kostprijs was 1 miljard, dus schrijft de ECB 1 miljard over op die rekening. Ook 1 miljard extra geld, weliswaar virtueel deze keer. Het produceren van 1 miljard extra eurocentjes heeft de totale geldhoeveelheid in de economie doen stijgen met 2 miljard euro! Holy shit! 😉

Wat is het beste: een variabele of vaste rente?

Ik hoor deze vraag wel eens vaker. Gisteren nog op een feestje. Mensen willen lenen en vragen zich af wat het beste is: een variabele of een vaste rentevoet? De reflex die achter zo’n vraag schuil gaat toont aan dat we gewend zijn om te consumeren in een quasi zekere wereld. Wasmachine A is beter dan B vanwege eigenschappen X, Y en Z, maar de prijs is zoveel euro meer. De prijs van de meerwaarde is vast en duidelijk. Gewoon een keuze maken dus.

Op de financiële markten zit dat anders. Daar zijn er allesbehalve zekerheden, behalve dat een variabele rentevoet nooit hoger kan gaan dan twee keer het startpunt. Dus als je variabele rente minder is dan de helft van de beste vaste rente, dan moet je uiteraard voor de variabele gaan. Maar laten we eerlijk wezen: waar ga je zoiets vinden? Die situatie mogen we gerust uitsluiten.

Een bank wil zich doorgaans indekken tegen renteschommelingen. Banken lenen op korte termijn van spaarders, andere banken, etc… en lenen op lange termijn aan gezinnen en bedrijven (eigenlijk werkt het een beetje anders, maar onthou het maar zoals ik het hier schrijft…). That’s how they roll, dat is een van hun belangrijkste functies in onze economie. Stel de banken lenen zelf 200.000 euro op een termijn van 1 jaar aan 2% en geven dat geld meteen aan u voor de aankoop van een huis met een termijn van 20 jaar aan 3% vast. Hun winst is 1%. Volgend jaar moet de bank echter die 200.000 euro terugbetalen en elders opnieuw gaan ophalen. Van u gaan ze geen 200.000 euro krijgen, want uw lening heeft nog 19 jaar te gaan. Ze zal het dus opnieuw op de markten moeten vinden, waar de rentevoet ondertussen veranderd kan zijn. Als de rentevoet op 1-jaars leningen ondertussen gestegen zou zijn tot 3%, dan verdampt hun hele winst. Steeg de rentevoet nog sterker, dan maken ze zelfs verlies. Dat is niet de bedoeling. Ze gaan zich dus indekken tegen dergelijke schommelingen met financiële derivaten. Maar derivaten, die kosten geld, omdat ze risico verminderen. Net zoals verzekeringen ook geld kosten.

Banken moeten dus betalen wanneer ze zichzelf willen indekken tegen renterisico. Maar dit is niet het geval wanneer ze leningen geven met variabele rentevoet. Als de rentevoet namelijk zou stijgen van 2% naar 3%, dan gaat het voor de bank duurder worden om die 200.000 euro opnieuw op te halen, maar langs de andere zal ook de rentevoet op uw lening meestijgen. De winst wordt dan niet (binnen bepaalde marges) aangetast. Derivaten zijn niet echt nodig en dat maakt het goedkoper voor de bank om haar risico’s in te dekken. Vandaar dat de bank zich voor kredieten met variabele rentevoeten kan permitteren om een iets lagere rentevoet te vragen. Een variabele rentevoet is gemiddeld dus goedkoper. Je ziet hetzelfde bijvoorbeeld bij variabele of vaste energiecontracten. Variabele energiecontracten (bijv. bij Elegant) zijn doorgaans goedkoper, maar er is ook meer risico.

Maar als de bank minder risico loopt, dan loopt iemand anders natuurlijk het risico. Inderdaad, dat bent u. En dat is geen schande, want u kiest er zelf voor. U krijgt een gemiddeld lagere rentevoet in ruil voor wat meer risico. Hetzelfde hebt u bij spaarrekeningen of aandelen. Mensen die in aandelen beleggen verwachten een hoger rendement, maar lopen ook risico en kunnen zelfs geld verliezen. Een vraag als: “wat is het beste: beleggen in aandelen of in een spaarrekening?”, kent dus ook geen universeel antwoord. Risico en rendement gaan hand in hand, always, everywhere. Het is de consument die uiteindelijk de keuze moet maken en iedere consument is anders.

Er is dus geen zeker antwoord op de vraag: wat moet ik doen? Het hangt af van uw preferenties omtrent risico’s. Maar daarmee bent u niet zoveel natuurlijk. Het kan verstandig zijn om te kijken naar uw variabele rente in een worst-case scenario en hoe ver die van de vaste rente ligt. Rentevoeten vrij exact voorspellen op lange termijnen is moeilijk tot onmogelijk, dus daar moet u zich niet aan wagen. Ook niet teveel denken dat “de rentevoeten toch niet lager kunnen” en dergelijke. Uw bank is u toch al lang voor geweest met zulke redeneringen. Zorg vooral dat u zich goed voelt bij de beslissing die u neemt en dat u risico mijdt als u er niet mee wil omgaan. Of dat u risico neemt als u wel wat risico kan verdragen. Hou ook in gedachten dat zelfs een vast krediet, mits de nodige kosten, altijd herzien kan worden op eigen aanvraag. Wat vooral uw kosten zal drukken is om zoveel mogelijk banken af te lopen en de volle concurrentie te laten losbarsten.

Waarom maakt meer kapitaal een bank veiliger?

Er is de laatste tijd heel wat te doen over de nieuwe bankenwet. België gaat verder dan Europa in haar regelgeving en zou volgens de grootbanken te streng zijn. Koen Schoors legt in Terzake uit dat hij het eens is met de banken in die zin dat de overheid niet zou moeten proberen om banken veilig te maken. Banken moeten risico nemen, dat is immers hun functie. Ze nemen en herverdelen risico. Zelfs eenvoudigweg spaargeld ontvangen en dat uitlenen aan bedrijven houdt risico’s in. Ik ben ook akkoord dat risico’s nemen of herverdelen geen probleem is. Sommige mensen horen het woord “swap” en denken meteen aan exotische zaken die groot risico meebrengen, terwijl swaps in realiteit vaak dienen om risico’s te verlagen.

Wat wél een probleem is, is de hoeveelheid kapitaal die in de bankensector wordt aangehouden. Banken moeten véél en véél meer kapitaal aanhouden. Nu ligt dat gemiddeld ergens rond de 4 à 5% van hun totale waarde. Ik denk dat dat gigantisch omhoog moet om de banksector gezond te maken, niet naar 8 of 9% maar eerder richting 20-30%. Maar waarom moét een bank dan meer kapitaal aanhouden, terwijl we bedrijven zulks nooit zullen verplichten? Wel, bedrijven kunnen rustig failliet gaan zonder teveel weerslag op de economie (tenzij ze allemaal samen failliet gaan natuurlijk). Maar banken hebben soms balansen die groter zijn dan het BBP. Als zo’n instelling failliet gaat kan dat (zo stelt men althans) gigantische schade veroorzaken aan de economie. Daarom moeten banken als een speciaal geval bekenen worden en moet hun kapitaal gereguleerd worden. Waarom een bank veiliger wordt wanneer ze meer kapitaal aanhoudt, leg ik hier uitgebreid uit aan de hand van een eenvoudig economisch model dat in de jaren ’70 werd bedacht door Nobelprijswinnaar Robert Merton.

Laten we ons een eenvoudige bank inbeelden. Deze bank financiert zich op twee manieren: enerzijds met kapitaal (of eigen vermogen: beleggers kopen aandelen van de bank) en anderzijds met schulden (of vreemd vermogen: beleggers kopen obligaties van de bank). Het geld dat de bank hiervoor ontvangt wordt gebruikt om activa (bezittingen) aan te schaffen. Bijvoorbeeld: men koopt overheidsobligaties, men verstrekt leningen zoals hypotheken en investeringskredieten, en dergelijke meer. Onze eenvoudige bank is heel braaf en heeft 100.000 euro opgehaald bij aandeelhouders en 100.000 euro bij obligatiehouders (50% kapitaal dus). De aandeelhouders hoeft de bank niet terug te betalen, maar de obligatiehouders natuurlijk wel. Om het simpel te houden veronderstellen we dat onze bank obligaties heeft uitgegeven die allemaal binnen 5 jaar terugbetaald moeten worden. Indien de bank dat dan niet kan doen, gaat ze failliet. De balans ziet er dus zo uit:

balans

Merk ook op dat kapitaal niet is zoals geld in een sok onder het bed of zoals geld op een spaarrekening. Kapitaal is niet hetzelfde als een potje dat je bijhoudt voor slechte tijden. Kapitaal heeft enkel te maken met de manier waarop de bank zich financiert. Een deel is kapitaal, de rest is schuld. Met dit geld koopt ze activa.

Een bank is natuurlijk een onderneming en elke onderneming heeft een marktwaarde. De marktwaarde van de bank is gelijk aan de marktwaarde van alle activa. De economie gaat op en neer, aandelen gaan op en neer, en dus gaat zo’n marktwaarde op en neer, al zal ze gemiddeld stijgen. In ons eenvoudige model gaan we veronderstellen dat de bank failliet gaat wanneer ze binnen 5 jaar haar obligaties niet kan terugbetalen. En om te beoordelen of ze dat kan, kijken we naar de marktwaarde van de activa. Als de waarde van de activa na vijf jaar hoger is dan de schulden die terugbetaald moet worden dan is er geen probleem. Echter, als de waarde van de activa van de bank op het einde van die vijf jaar lager is dan de schulden, dan gaat de bank failliet. Zelfs als ze alles verkoopt zal ze niet haar schulden kunnen terugbetalen.

We hebben nu dus de structuur van onze bank en de voorwaarde voor een faillissement besproken. Het enige wat nu nog rest is om eens te kijken naar die activa en hoe die schommelen doorheen de tijd. We kunnen daar een statistisch proces op plakken, en dat vergt wat wiskunde. Het komt er gewoon op neer dat de waarde van de assets gemiddeld zal stijgen met ongeveer 0.5% per maand, maar dat er ook grote en onvoorspelbare schokken zullen zijn.

(Voor de nerds: het maandelijks rendement op de activa is gemiddeld 0.5% met een standaardafwijking van 5%.)

Alle ingrediënten zijn nu op zijn plaatst om te zien wat er allemaal met deze bank kan gebeuren. We kunnen bijvoorbeeld makkelijk een mogelijk toekomstig pad van de activa simuleren. Als je meer wil weten over simulatie kan je mijn andere blogpost lezen over simulatie. Als ik drie mogelijk paden simuleer, dan kunnen die er bijvoorbeeld zo uitzien:

driepaden

Zoals jullie zien is de waarde van de activa na vijf jaar in alle drie de gevallen boven 100.000 euro en zal de bank dus niet failliet gaan. In het blauwe geval is het echter wel heel nipt geweest. Het was bijna zover… Laten we dit nu eens niet drie, maar tienduizend keer simuleren! We kunnen dan kijken in hoeveel gevallen de bank failliet gaat en dus de kans op een faillissement berekenen.

De waarde van de activa bij de start is altijd 200.000 euro. Als de bank 50% kapitaal aanhoudt heeft ze dus 100.000 euro kapitaal en 100.000 euro schulden. Uit de simulatie blijkt dat de bank ongeveer 0.80% kans heeft om failliet te gaan na vijf jaar. Die kans is toch zeer klein. Laten we nu eens veronderstellen dat de bank niet 50% maar 25% kapitaal zou aanhouden, m.a.w. 50.000 euro kapitaal en 150.000 euro schuld. Uiteraard moet de bank nu ook meer terugbetalen na vijf jaar. De kans op faillissement is nu al gestegen tot 9%. En als de bank slechts 5% kapitaal zou aanhouden wordt die kans al 24%. We zien dus duidelijk dat minder kapitaal wil zeggen dat de kans op een faillissement stijgt! De intuïtie is heel eenvoudig: hoe minder kapitaal een bank aanhoudt, hoe meer schulden ze heeft uitstaan. De waarde van de activa schommelt op en neer, en hoe hoger die schulden liggen, hoe groter de kans dat de waarde van de activa er ooit wel eens onder zou kunnen liggen. En dan is het zover natuurlijk!

Als we kijken naar de verdeling van de waarde van de activa na vijf jaar, dan bekomen we onderstaand histogram. De rode lijn stelt de 100.000 euro lijn voor, die belangrijk is voor onze bank met 50% kapitaal. Alle gevallen aan de linkerkant van die lijn staan voor een faillissement. En nu kan je nogmaals zien dat wanneer je minder kapitaal hebt, je dus meer schuld hebt en die rode lijn dus naar rechts zal verschuiven. Hoe meer die rode lijn naar rechts zal verschuiven, hoe meer gevallen er links van de rode lijn zullen liggen. Bijgevolg: hoe groter de kans op faillissement!

(Voor de nerds: de waarde van de activa na vijf jaar is in dit model inderdaad lognormaal verdeeld, zoals je kan zien op de grafiek. Dit is natuurlijk omdat het rendement normaal verdeeld is. Analytisch gezien kan je de parameters van de verdeling ook gewoon berekenen in het model en zo de kans op een faillissement 100% correct berekenen.)

histogram

De intuïtie achter “meer kapitaal aanhouden!!!” is dus zeer eenvoudig. Langs de ene kant hebben we de activa van een bank waarvan de waarde niet beïnvloed wordt door de mix tussen kapitaal en schulden, maar door economische schokken en de risico’s die de bank neemt. Langs de andere kant hebben we de financieringsmix van de bank (kapitaal & schulden). Hoe minder kapitaal, hoe hoger de schulden. En hoe hoger de schulden, hoe groter de kans dat de activa onvoldoende zullen blijken om de schulden af te betalen. In dat geval spreken we van een faillissement.

Natuurlijk stelt dit model veel zaken simplistisch voor, maar het was ons hier niet om precisie te doen, maar om intuïtie. Banken moeten MEER kapitaal aanhouden! Bovendien moeten ze ook MEER kapitaal aanhouden wanneer hun activa risicovoller worden. Op die manier verkleint de kans op een faillissement, hetgeen een groot deel van het hele too-big-to-fail probleem oplost. En laat in hemelsnaam nooit nog een belastingbetaler opdraaien voor een onderneming.

Risk management in banking and my PhD topic

Hi all. I’m thinking I should write this post in English as well, to increase the range a bit. I got the idea for this article today, again in a Twitter discussion. It was about banking. As you might have heard, Dexia is exposed to the default of Detroit. Dexia is a sensitive topic in Belgium, since the government has granted guarantees for an enormous amount. If that stuff goes wrong, Belgian taxpayers are going to need a drink. But anyway, that’s not what I want to talk about here. Today I want to talk about risk management in banking, because I sense that people are very interested in this topic, yet cannot find enough material out there to understand how it all works. So let me tell you what comes to my mind when I hear risk management in banking. By the way, my PhD topic is about risk management in banking as well, but I’ll explain that later.

Bank risks

Okay, so everybody knows banks are exposed to all kinds of risks. Let’s talk about the main ones. But first, what is risk? Risk means that there’s a chance you’re going to lose money. It means you don’t know what is going to happen when you buy or sell something. Risk is about unexpected things. Things that you expect to happen are not risks. When you buy a stock, there’s the risk of a fall in value. When you loan money to somebody, there’s the risk of him or her not paying back. And so on.

Banks borrow from some people and lend it back out to others. A unique function of banks is that fact that they usually borrow money on shorter timeframes than they lend money out. Say I bring 100.000 EUR to the bank and buy a one year savings certificate (kasbon in Dutch) with an interest rate of 2%. The bank then takes my 100.000 EUR and lends it out to a company wanting to invest in new equipment, which they will pay back over a period of five years at a rate of 4%. This process is called maturity transformation. Notice that the bank earns a handsome 2% a year or 2.000 EUR as a compensation for this maturity transformation.

Immediately we can distinguish several types of risk. First, there’s credit risk. If the company goes bankrupt, the bank is not going to get all its money back, but still owes me my 100.000 EUR. Next, we have interest rate risk, also an important one. Say one year passes and my savings certificate matures. Obviously, the bank doesn’t have my money since they gave it to the company for five years. So they need to find somebody else who will lend money to the bank, just like I did a year ago. Say they find such a person but market conditions have changed and the relevant interest rate is now 3%. The bank borrows 100.000 from somebody else and pays them 3% a year. Note that the profit margin has gone down from 2% to 1%. The corporate loan stills pays 4% a year but the bank now needs to pay out 3% instead of 2% to the holder of the savings certificate. So interest rates changing is also a source of risk, since it has an impact on profits. Credit risk and interest rate risk are the most important risks banks face. There’s also liquidity risk, operational risk, reputational risk, strategic risk, and so on. But these are less important. Credit and interest rate risk make up the bulk of total risk for banks.

How do banks manage their risk?

So now that we know a bit about the risks banks are exposed to, we might ask ourselves how banks take care of these risks. You can basically do two things: you get rid of the risk (hedging) or you keep the risk but make sure it will not take you down in bad times (holding capital).

You can hedge all kinds of risks by buying products with a bad name, such as credit default swaps (CDS) or interest rate swaps (IRS). Assuming these instruments trade at fair prices, they actually are a wonderful invention because they allow people to share risks. Say I loan money to somebody but I don’t like interest rate risk. I buy an IRS and now I’m only exposed to the credit risk, which makes me feel better. The other person is now exposed to the interest rate risk, but that is exactly what he or she wanted. Everybody is happy. Remember that in financial markets, risk is rewarded by return. There’s no point in bearing risk if there’s not going to be a compensation. So markets will price products in such a way that risk will be rewarded, on average. Riskier products are cheaper than safer products. If you don’t bear risks, you’re going to earn the risk-free rate, which to the best of my knowledge is negative or zero today.

Now say you don’t want to get rid of the risk, because you want to make some money. Well, where there is risk, there should be capital (or equity). The more capital a bank has, the more trouble it can handle. Or in other words: the lower the leverage, the safer the bank. High leverage (little equity and a lot of debt) means that when you suffer some losses, your equity will get a serious blow. It might even become negative. Low leverage (a lot of equity and little debt) means that you can take a series of blows without the danger of going bankrupt. This is why banks should hold capital, in order to make sure that a small or large blow will not cause bankruptcy. It’s important to realize that capital is NOT money lying around doing nothing. No, capital is also invested in assets, but the difference with regular debt is that regular debt should be paid back in full at some point in time.

How much capital to hold?

Banks need to be able to survive a lot of worst-case scenarios. They won’t be able to do that if they don’t hold too much capital. So the amount of capital they hold should ensure that the bank is able to survive a lot of potential future scenarios. For example, a bank that strives for an A-rating (defined as a 0.07% probability of default within the year) would need to be able to survive 99.93% of all possible scenarios that can occur within the next year. So the amount of capital they need to hold should be enough so that the bank is able to survive those 99.93% of all scenarios. This amount of capital is also called economic capital.

So, how do we compute economic capital for the entire bank? Well, in practice, banks first calculate economic capital for separate risk types. They calculate how much capital they need to hold in order to cover their credit risk, then how much capital they need to hold in order to cover their interest rate risk, and so on. Then, when all these numbers are available, they add them together using a correlation matrix or something like that. You can’t just take the sum, since there is diversification. Interest rate risk and credit risk are correlated: usually not all bad things happen at the same point in time. It’s the same principle when you’re investing in stocks. Not all stocks go down at the same time, there is diversification. Holding more stocks means your position becomes less risky. So adding everything together as a sum would overstate your risk. Therefore, something like a correlation matrix is used, which is not very sound. You could view it as a “shredder”. You worked hard to get reliable estimates of economic capital for separate risk types, but then you must add them together using some dubious method. For example, what are those correlations? How would you be able to verify they are correct? And aren’t these correlations unique for each bank? Indeed, it’s not the best method.

My PhD topic

This is where my PhD topic comes in, on the idea of integrating risk. We no longer calculate economic capital for each risk type separately. Instead, we calculate it in one go, for all risks at the same time. The main difficulty is that now you need to define the relationships between different risks. For example: what happens to default probabilities when interest rates change? Does economic growth impact defaults and interest rates, and if so: in what way? This area of financial economics is not very well developed yet. So, first we define how all these risk drivers act together in a unified framework. Then, we calculate economic capital based on this framework, so that you get an estimate which is based on a sound and reliable method. Correlations between risk drivers are the same for all banks. It’s just the banks’ exposure to different risks that might differ. So it makes the job of the regulator a bit easier. Also, we can now verify if our numbers make any sense or if they correspond to reality, since everything can be traced back to basic observable economic variables.

So in a nutshell, this is what I’m working on. I hope that I could give some people a better idea of what risk management is about (although I must emphasize that I really am only scratching the surface) and a better idea of what I’m working on. Feel free to ask questions.

Eerste post!

Dag iedereen,

Ik speel al langer met het idee om een blog te beginnen, maar het is er nog nooit van gekomen. Ik heb eigenlijk geen sterk verlangen om mijn visie met de buitenwereld te delen, maar langs de andere kant zie ik er ook geen graten in. Ik heb ervaren dat schrijven één groot voordeel heeft: wie een goede tekst wil schrijven, moet zijn gedachten ordenen. Schrijven is volgens mij bijzonder leerrijk. Dus wou ik het wel eens proberen om nu en dan over bepaalde zaken die mij interesseren te schrijven. Als dit dan nog andere mensen zou interesseren, dan is dat natuurlijk mooi meegenomen. Op mijn werk schrijf ik veel in academische context en dat maakt het soms moeilijk om hierover te communiceren met vrienden en familie. “Wat doet gij nu eigenlijk?” – “Tja… hebt ge effe tijd?”. Ik ben altijd al een grote voorstander geweest van het idee dat de academische wereld vooral een praktisch belang moet hebben. De wetenschappen zijn ontstaan uit de sterke drang om de wereld rondom ons te begrijpen. Niet enkel omdat dat intellectueel plezierig is, maar ook omdat we dagelijks moeten rondlopen op die wereld en dat liefst zonder teveel problemen doen.

Gezien de stand van onze hedendaagse economie heeft een econoom zoals ik genoeg om over na te denken. Ik noem mijzelf eigenlijk niet graag “econoom”, laat staan “economist”. Het klinkt naar mijn aanvoelen te fancy en ik ben niet zo graag fancy. Economen zitten ook vaak fout, zo lijkt het althans, dus misschien kan ik mijzelf beter omschrijven als een Explorer of Space and Time. Dat klinkt cooler! Mijn grote liefde is financiering (of mooier: finance). De beurswereld interesseert mij enorm omdat achter die groene en rode cijfers in de krant een bijzonder complexe wereld schuil gaat. Een wereld waar mensen fouten maken, waar mensen rijk worden of belazerd worden, een wereld die geregeerd wordt door onvoorspelbaarheden. En dat is waar ik warm van loop: de invloed van het toeval op het alledaagse. En dat brengt ons dus bij statistiek, naar mijn eigen ervaring het meest gehate vak onder de Leuvense studentenpopulatie (nee wacht, ik bedoel studentensteekproef!) Ik hou niet van risico: ik zal wel eens in een achtbaan gaan met een looping erin, maar niet zonder eerst de kans op een bloederige dood te berekenen. Statistiek helpt mij daarbij en is dus bijzonder handig. Verder interesseert de politiek mij ook bijzonder veel, voornamelijk de topics die een beetje naar economie proeven. En dan zijn er natuurlijk nog de wetenschappen. Er gebeuren zoveel prachtige dingen rondom ons, die mogen af en toe wel een in de aandacht gezet worden.

Zo, ik denk dat ik voldoende heb geschreven voor een inleidende post. From now on we venture into unknown territory.