Bankieren 101 – deel 2: reserves en financiering

In deel 1 van bankieren 101 sprak ik over geldcreatie en hoe er nieuw geld wordt gecreëerd telkens wanneer iemand een lening aangaat bij een bank. Dat is belangrijk om in te zien dat deposito’s (en dus geld) het gevolg zijn van kredietcreatie, en niet omgekeerd. M.a.w. een bank kan zomaar een lening geven aan iemand zonder dat ze daarvoor eerst spaargeld is moeten gaan ophalen bij mensen die geld op overschot hebben. Op het moment dat die lening wordt gegeven wordt er nieuw geld gecreëerd dat daarvoor nog niet bestond. En telkens wanneer er een deel wordt terugbetaald, wordt dat geld terug vernietigd. Meer daarover dus in deel 1.

Vandaag wil ik het hebben over de financiering van banken. Wat ik heb toegelicht in deel 1 strookt immers een beetje met het algemene idee dat banken geld ophalen bij spaarders en het dan uitlenen aan bedrijven en gezinnen die geld nodig hebben. Je weet nu waarom dat niet klopt, maar hoe komt het dan toch dat zo’n misverstand blijft bestaan? Wel, dat is eigenlijk omdat er allerlei dingen tegelijk gebeuren en er daardoor een fout idee van de causaliteit kan ontstaan. Let’s go…

We gaan terug met dezelfde bank beginnen uit deel 1, en we noemen ze bank A. Maar ik ga er meteen een andere bank B bij sleuren. Hieronder de balans van beide banken op dit moment. Bij bank A zijn de deposito’s exact gelijk aan de leningen, maar bij B niet. Dat kan perfect, en straks weet je ook hoe dat kan. De totale hoeveelheid geld in deze setup is 900 + 450 = 1.350 euro.

balans1

Nu stel dat jij bij bank A een lening afsluit van 20 euro omdat je daarmee iets wil kopen. Dan krijgen we het onderstaande (cfr. deel 1). De 20 euro staat op je rekening en is volledig nieuw geld. De totale hoeveelheid geld in deze setup is nu gestegen van 1.350 naar 1.370 euro. Geldcreatie!

balans2

OK, we move on: met die 20 euro wilde je iets kopen. Stel dat die verkoper zijn rekening heeft bij bank B en jij gaat het geld overschrijven. Wat gebeurt er dan? Wel, ten eerste zal jouw rekening met 20 dalen en die van de verkoper met 20 stijgen. Deposito’s bij bank A zullen dus dalen met 20 en bij bank B stijgen met 20. Maar dan zijn activa en passiva uiteraard niet meer in balans voor beide banken. En uiteraard zal bank B die deposito’s ook niet zomaar aannemen, want voor een bank zijn deposito’s eigenlijk schulden aan de eigenaar ervan. De bank moet, wanneer de eigenaar daarom vraagt, al dat geld ter beschikking stellen. Om alles in evenwicht te brengen gaan we moeten kijken naar de reserves als oplossing. Dit is “de rekening” van de bank bij de centrale bank. Bank A zal in dit voorbeeld haar reserves zien dalen met 20, omdat ze die naar bank B zal “overschrijven”.

We krijgen dan de onderstaande situatie. De reserves van bank A zijn gedaald van 100 naar 80 euro en deze zijn bijgekomen bij bank B, waar ze stijgen van 100 naar 120 euro. De deposito’s van bank A zijn gedaald met 20 euro en die van bank B zijn gestegen met 20 euro. De totale geldhoeveelheid in de economie werd niet beïnvloed. Die is nog steeds 900 + 470 = 1.370 euro.

balans3

Kijk nu eens naar bank A in het begin, en op het einde. In de begin situatie had de bank 100 euro reserves en 900 euro deposito’s, of een ratio van 1/9 = 11.11%. Nu heeft de bank slechts 80 euro reserves en 900 euro deposito’s, of een ratio van 8/90 = 8.89%.

Je weet ondertussen ook dat wanneer iemand van bank A geld overschrijft naar bank B, dat de reserves van bank A dalen (samen met de deposito’s) en bij bank B gewoon het omgekeerde gebeurt. Maar nu stel eens dat alle klanten van bank A dat zouden doen, omdat ze hun bank niet langer vertrouwen, voor een bedrag van 900 euro. De zogenaamde bank run. Dan zitten we dus met een probleem, want er is maar 80 euro aan reserves beschikbaar! Je ziet dat dit het risico op bankproblemen wat verhoogt, want wat als veel klanten opeens hun geld weghalen? Dit is één van de redenen waarom er reserve requirements bestaan, die een minimum opleggen aan de bovenstaande ratio. In de Eurozone is die minimumratio momenteel 1%. Zo zie je dat een bank niet zomaar onbeperkt geld kan creëren: er moeten reserves tegenover staan.

En nu wordt meteen duidelijk waarom banken toch graag hebben dat je jouw spaargeld bij hen plaatst. Als je dat spaargeld daar plaatst, dan stijgen hun deposito’s, maar ook hun reserves. De reserve ratio voor bank B is hierboven gestegen van 100/450 = 22.22% naar 120/470 = 25.53%. En dus is die bank weer wat vrijer om nieuwe kredieten te creëren en daarop winst te maken. In de praktijk zal je dus zien dat het creëren van kredieten dus vaak samengaat met het aantrekken van deposito’s. Maar nu weet je echter dat het een niet per se noodzakelijk is voor het ander.

Een andere manier om reserves aan te trekken als bank is om het gewoon te lenen van beleggers, door bijv. obligaties (of kasbons of …) uit te geven. Stel dat bank A een obligatie van 10 euro uitgeeft en dat die gekocht wordt door een klant van bank B. De koper van die obligaties schrijft het geld over naar bank A, waardoor bij bank B de deposito’s dalen, alsook de reserves. Bij bank A zullen die reserves dan aankomen en wordt tegelijkertijd een schuld gecreëerd aan de koper van de obligatie ter waarde van 10 euro. We krijgen:

balans4

Een andere optie was dat iemand die al bij bank A klant was gewoon die obligatie had gekocht. Bank B was dan niet van invloed geweest. In dat geval zal bank A haar deposito’s zien dalen, en in de plaats een obligatie erbij krijgen.

balans5

In beide gevallen is de reserve ratio gestegen, maar je ziet dat het wel een beetje afhankelijk is van wie die obligatie koopt. Als dat je eigen klant is, haal je geen reserves binnen maar verlaag je wel de deposito’s. Als het een klant bij een andere bank is, verander je de deposito’s niet, maar haal je extra reserves binnen. In beide gevallen stijgt de reserve ratio. Merk ook op dat het creëren van zo’n obligatie de geldhoeveelheid in de economie heeft doen afnemen, van 1.350 in de beginsituatie tot 1.340 na de uitgifte van de obligatie, eender wie de obligatie koopt.

Ziezo, bij deze weet je dan ook weer waarom dat banken toch actief op zoek zijn naar jouw spaargeld, ondanks dat bij het creëren van een lening geld uit het niets komt. In een notendop: na die lening zal het geld immers rollen, wellicht naar andere banken, waardoor reserves mee dalen. Lagere reserves betekent hoger risico (vooral m.b.t. bank runs) en dus is het best spaargeld aan te trekken en zo de reserves terug op te trekken. Een andere optie is om schuldpapier uit geven, zoals bijv. een kasbon of obligatie, en op die manier ook nieuwe reserves binnen te halen. Die optie zal echter wel de geldhoeveelheid in de economie verlagen. Meer reserves zullen ook kansen geven om verder te groeien omdat de bank dan meer kredieten mag en kan creëren.

Dit is dus de reden waarom in je in de praktijk zal zien dat banken tegelijkertijd op zoek zijn naar vers spaargeld en nieuwe leningen uitgeven. Je hebt nu echter klaar en duidelijk gezien dat die twee transacties in principe niks met elkaar te maken hebben en vooral: dat dat opgehaalde spaargeld niet rechtstreeks nodig is om een lening te kunnen geven aan anderen. De reden waarom je dat opgehaalde spaargeld nodig hebt, is om je reserves op peil te houden, want als die teveel zakken is het game over.

De volgende keer ga ik in gaan op belangrijke risico’s bij banken. Stay tuned!

Een gedachte over “Bankieren 101 – deel 2: reserves en financiering

  1. Pingback: De ECB verlaagt de rente: waarom? | De blog van Kurt

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s